Oliver Sacks in Amsterdam

In 2002 interviewde ik de vandaag op 82-jarige leeftijd overleden Oliver Sacks over zijn autobiografie voor weekblad Intermediair. Het gesprek kwam wat moeizaam op gang.

Deze maand was de Engelse neuroloog Oliver Sacks in Nederland voor de promotie van zijn autobiografie Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd. Sacks, die wereldberoemd is geworden door de beschrijving van intrigerende ziektegeschiedenissen van zijn patiënten, keert in dit boek terug naar het Engeland rondom de Tweede Wereldoorlog. Hij laat zien hoe hij als jongetje gefascineerd raakt door de scheikunde, gevoed door familie, boeken en proeven.

Het jongetje Oliver is inmiddels veranderd in een trekkebenende man van 68, die zijn gezondheid op peil probeert te houden door elke ochtend te beginnen met een zwempartij. Sacks is nog niet te zien in de lobby van het Americain Hotel in Amsterdam op het afgesproken tijdstip. Hij moest hier nog even douchen, vertelt de medewerkster van de uitgeverij, want in het zwembad ging dat niet door een legionella-besmetting. Als Sacks eindelijk arriveert, in een colbert met daaronder een T-shirt met het periodieke systeem der elementen erop, kan het interview nog niet meteen beginnen, want hij is een man van rituelen. De ramen moeten open, want anders krijgt hij het te warm. Als hij eindelijk gaat zitten, staat hij meteen weer op, want er moet thee op tafel komen, met melk wel te verstaan. De verkeersherrie die daardoor binnenkomt, maakt het moeilijk om hem te verstaan, want hij praat erg zacht.

‘Ik ben opgegroeid in een huis vol boeken. Mijn vader zat in zijn grote bibliotheek uren te lezen in de bijbel en in de talmoed met een sigaar in zijn mond; en mijn moeder las heel veel romans en biografieën, ze las mij ook vaak voor. Boeken waren a part of life, ze fascineerden me. Ik heb al heel vroeg leren lezen, volgens mij zonder eerst het alfabet te leren, maar direct via woorden. Of dat mogelijk is, weet ik niet, misschien is het een streek van mijn geheugen. Op mijn vijfde kon ik in elk geval vloeiend lezen. Ik weet nog goed dat ik tegen de onderwijzer op de kleuterschool zei dat ik kon lezen. Die geloofde me niet en zei dat ik loog. Hij haalde een krant en daar las ik wat uit voor. Hij dacht dat het een truc was. Het vreemde is dat ik het gevoel heb dat ik heb leren lezen zonder eerst het alfabet als zodanig te leren.

‘Van heel vroege herinneringen kun je vaak niet zeggen of ze echt zijn of fantasie. Voor het schrijven van dit boek heb ik veel dingen proberen te checken bij mijn vijf jaar oudere broer Michael, en daaruit bleek hoe interessant ons geheugen in elkaar zit. Er is in de oorlog twee keer een bom gevallen bij ons in de straat, allebei onontploft. Mijn eerste beschrijving kon mijn broer bevestigen, maar bij de tweede beschrijving zei hij tot mijn ontzetting dat we die hele bom nooit hebben gezien omdat we toen samen op de kostschool in Braefield zaten. Ik wierp tegen dat ik hem toch duidelijk voor mijn geestesoog zag. Dat verklaarde hij doordat onze broer David ons er een levendige brief over had geschreven, die ik me inderdaad kon herinneren. Maar al weet ik dat Michael gelijk heeft, toch blijft dit een echte herinnering voor me lijken, het is net een scène uit een film. Ik zie alle details en personen helder voor me, alleen het perspectief is eigenaardig. Het is net alsof ik van bovenaf naar het tafereel kijk, zonder dat ik kan zeggen waar ik ben in het geheel. Daaruit blijkt dat het een construct is. In die andere echte herinnering voel ik weer dat lichaam van het kleine jongetje dat daar in zijn dunne pyjama rillend van de kou staat te kijken.

‘Ik heb vaak problemen om uit te maken wat ik gezien of gehoord heb en wanneer het was. Het schrijven van een boek als dit blijft daardoor een romantische onderneming. Ik heb een reconstructie proberen te maken van de invloed die boeken op me gehad hebben, proberen te laten herleven hoe die boeken oorspronkelijk voelden. In feite een onmogelijke opgave, een romantische onderneming met alle vertekeningen, uitvergrotingen en dramatiseringen die daarbij horen. Maar in feite was mijn jongensleven ook zo’n romantische onderneming. Ik probeerde een negentiende-eeuwse scheikundige te zijn halverwege de twintigste eeuw, toen dat soort scheikunde al passé was. Wat ik las waren negentiende-eeuwse oude boeken, vol avontuur en spel, met titels als Chemical Recreations en The Playbook of Metals.

‘Ik vond het ook erg interessant om de originele verslagen van die oude scheikundigen te lezen. Er bestond een serie met herdrukken van boeken van bijvoorbeeld Davy, Faraday en Scheele. En heel fascinerend vond ik ook het proefschrift van Madame Curie, waar mijn moeder een exemplaar van had. Natuurlijk waren sommige van die boeken te moeilijk voor een jongetje. Een kind snapt niets van het werk van Ampère, maar Faraday is makkelijk te lezen door zijn ongedwongen stijl. Hij vertelt wat hij denkt, wat hij doet en waarom, of het lukt of niet, een continu verhaal. Je komt erachter wat er omgaat in zijn hoofd en kan deelnemen aan zijn ontdekkingstocht.

Mijn favoriete boek was The Interpretation of Radium van Frederick Soddy. Ik kwam het tegen toen ik mijn oude boeken ging ophalen in het huis van mijn vader na zijn dood in 1990. Ik herkende het meteen aan de roze verschoten omslag. Toen ik het uit de kast trok, verpulverde het in mijn hand tot stof. Het was net als diverse andere boeken aangetast door een schimmel. Gelukkig heb ik later nog een exemplaar te pakken kunnen krijgen.

‘Geschiedenis van de wetenschap is vaak een bijvak op de universteit, maar voor mij is het een integraal onderdeel van de wetenschap. Ik wil niet beweren dat bèta-studenten het werk van Aristoteles moeten kennen maar lijkt me toch zinnig om de geschiedenis van de natuurkunde te behandelen vanaf Galilei of de scheikunde vanaf Boyle. Toen ik mijn opleiding tot neuroloog volgde vroeg ik of ik ook iets kon leren over de geschiedenis van de neurologie. Ze zeiden: wie is daar nou in geïnteresseerd? Die mensen zijn allemaal dood. Dat is allemaal geweest.

‘Ik ben gevormd in openbare bibliotheken zoals de Willesden Public Library en die van het Science Museum, waar ik altijd ging kijken naar de … van het periodiek systeem. En mijn ooms en ouders waren heel belangrijk. Van school hield ik niet erg. Ik heb nooit goed kunnen stilzitten en opletten. Ik ben ongeduldig, moet kunnen rondlopen. Alleen in het water heb ik dat niet. Ik ben erg aquatisch, ik lees uren in bad. In zekere zin schrijf ik ook tijdens het zwemmen. Het prettigste vind ik zwemmen in een meer. Als ik dan een lang stuk ga zwemmen beginnen zich zinnen te vormen en verhalen. Voor mijn boek Een been om op te staan heb ik een hele paragraaf bij een meer geschreven. Ik had op een gegeven moment zoveel in mijn hoofd zitten dat ik echt het water uitmoest, anders werd het te veel om te herinneren. Ik heb dat toen in één ruk opgeschreven en opgestuurd naar mijn uitgever. Die klaagde dat hij al twintig jaar geen handgeschreven manuscript meer had gekregen en in welke eeuw ik dacht te leven. Hij vroeg zich ook af of ik het manuscript soms in bad had laten vallen, want het zat onder de vlekken.

‘Waar die voorliefde voor water vandaan komt weet ik niet. Het is vermoedelijk een familietrekje. Mijn vader en grootvader zwommen ook altijd. En onze ouders gooiden ons als baby’s al in het water. We konden eerder zwemmen dan lopen. Aan land ben ik altijd onhandig geweest, ik ga op dingen staan of struikel, maar in het water zoef ik. Daar krijg ik een gevoel van mijn fysieke zelf en weet ik precies waar mijn handen en voeten zijn. En tegelijkertijd is er soms een verlies van identiteit, van zelfbewustzijn, een oceanisch gevoel waarin ik één ben met het water.

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie