Huisartsen: ‘Kom maar door met die vaccins’

Huisartsen worden tureluurs van de voortdurende aanpassingen van het vaccinatiebeleid. De Nederlandse huisartspraktijken hebben door hun jarenlange ervaring met de griepprik voor 60+’ers en andere risicopatiënten de ideale infrastructuur om ook COVID-vaccins te geven aan andere patiënten. De huisartsen lieten de betrokken overheidsinstanties daarom vorig jaar al weten dat ze desgewenst hun hele praktijk kunnen vaccineren tegen COVID-19.

Toen in december 2020 het Pfizer-vaccin beschikbaar kwam, zei het RIVM dat dit de plannen doorkruiste om huisartsen in te schakelen, omdat dit vaccin moest worden bewaard bij -70 graden en daarvoor hadden huisartsen geen vriezers. In plaats daarvan werd een ingewikkeld en bureaucratisch circuit opgetuigd via GGD’s en instellingen voor ouderenzorg.

Hoewel VWS de gezondheidszorg tijdens de COVID-crisis geregeld overviel met onverhoedse beleidsaanpassingen, vaak met wankele argumentatie, gebeurde dat niet nadat Pfizer half februari bekendmaakte dat hun COVID-vaccin ook twee weken kan worden bewaard in een normale medische diepvriezer bij een temperatuur tussen -15 en -25 graden. Dat betekende dat de huisartsen dit vaccin alsnog zouden kunnen gaan toedienen. In plaats daarvan besloot VWS dat huisartsen alleen het vanaf half februari 2021 beschikbare AstraZeneca-vaccin moesten gaan geven aan hun patiënten van 60 tot 64. Hier werden na gelobby van belangenorganisaties nog aan toegevoegd patiënten met downsyndroom of een BMI boven de 40. Hoeveel dat er extra waren wist VWS niet.

Een doorsnee huisartspraktijk van 2095 patiënten heeft hooguit tussen de 100 en 150 60-64-jarigen, een aantal dat een huisarts in twee dagen moet kunnen wegprikken met de praktijkassistenten, ook met inachtneming van de COVID-regel van 1,5 meter afstand. De eis dat elke gevaccineerde na een AstraZeneca-prik een kwartier moet blijven vanwege het risico van een allergische reactie (zo klein dat de meeste praktijken geen enkel geval zien) staat razendsnel vaccineren evenmin in de weg. Met enige creativiteit hoeft de wachtkamer niet te gaan uitpuilen en zal de reguliere zorg er ook niet onder lijden.

Een maand na de eerste leveringen van AstraZeneca waren huisartsen in de zuidelijke provincies nog niet verder dan de 63- en 64-jarigen en moesten in de noordelijke provincies zelfs nog beginnen, zonder te weten wanneer ze vaccins konden gaan bestellen. Vorige week hadden de huisartsen door stagnerende leveringen pas 169.000 prikken gezet (RIVM-schatting op basis van het aantal leveringen). Uit de Nederlandse voorraad in Oss kwamen om ondoorgrondelijke redenen slechts mondjesmaat vaccins richting huisartspraktijken. Met deze voorraad en de verwachte leveringen van AstraZeneca zouden alle 60-64-jarigen van Nederlandse huisartspraktijken (zo’n 750.000) op 16 april voor het eerst gevaccineerd moeten kunnen zijn, blijkt uit de cijfers op het Coronadashboard. Dat leek op voorhand onhaalbaar.

Deze week kwam er dan toch een niet meer verwachte versnelling: de LHV meldde dat de huisartsen in Overijssel en Noord-Holland AstraZeneca-vaccins kunnen bestellen om al hun patiënten tussen 60 en 64 te vaccineren. Ze krijgen genoeg vaccins om ook thuiswonende niet-mobiele patiënten te prikken, een groep die er ook nog wel bij kan, al zijn huisartsen het zat dat ze steeds verrast worden door de ondermaatse communicatie van de overheid. De vaccins worden in de week van 5 april geleverd en daarna kunnen Overijssel en Noord-Holland beginnen met de eerste prikronde. Groningen en Friesland zullen snel volgen. Bovengenoemde datum van 16 april gaat daarmee waarschijnlijk niet gehaald worden voor alle Nederlanders tussen 60 en 64. In de provincies Noord-Holland en Overijssel is dit haalbaar als de huisartsen hun patiënten deze week nog een oproep sturen om zeer binnenkort hun prik te komen halen. Zo wordt het toch nog een vrolijke Pasen. Aan de huisartsen heeft het allemaal niet gelegen. Zij stonden van meet af aan klaar om Nederland te vaccineren.

Voor dit blog, gepubliceerd op de website van Arts & Auto, zijn diverse huisartsen geraadpleegd. Bronnen voor cijfers over huisartspraktijken: Nivel en www.volksgezondheidenzorg.info; cijfers over vaccins en vaccinaties staan op het Coronadashboard.

Als u mijn journalistieke werk graag wilt ondersteunen, doneer dan via de knop ‘Steun deze auteur’ in de linkerbalk boven. 

Namen gefusilleerden alsnog op monument


De 29 Nederlandse gevangenen die de nazi’s op 24 oktober 1944 fusilleerden op de Amsterdamse Apollolaan zijn vandaag alsnog geëerd met een plaquette. Hun namen bleven in 1952 onvermeld bij het toen onthulde monument ‘Verzetsgroep’ van beeldhouwer J.W. Havermans. De namen zijn indertijd waarschijnlijk welbewust weggelaten omdat niet alle gevangenen verzetsstrijders waren. Een van hen, Johannes van Andel, zat vast vanwege een roofoverval op een woning.
De plaquette zou op 4 mei aanstaande officieel worden onthuld als onderdeel van de jaarlijkse Dodenherdenking bij het monument. Door de coronacrisis is deze onthulling nu uitgesteld naar later dit jaar (mogelijk 24 oktober 2020).

De fusillade was een represaille van de nazi’s voor de liquidatie door het verzet van de 36-jarige SD-officier Herbert Oelschlägel. Hij werd op 23 oktober 1944 rond acht uur ’s avonds door het hoofd geschoten door verzetsstrijder Jaap Davids, na een mislukte ontvoeringspoging op de hoek van de Beethovenstraat en de Apollolaan.
De nazi’s Lages, Rauter en Schöngarth lieten om de liquidatie te wreken 29 gevangenen uit de Weteringschans-gevangenis halen. Zij werden op 24 oktober rond half zes ’s ochtends in een plantsoen op de Apollolaan tegen een schuilkelder gezet, vlak bij de plaats van de aanslag in de Beethovenstraat. Op de hoek van de Beethovenstraat en de Apollolaan staken de Duitsers om de aandacht te trekken twee villa’s in brand.
De lijken bleven twee uur liggen en werden vervolgens op een kar geladen, gewikkeld in zeildoek. Daarna zijn ze verast in crematorium Westerveld.

De organisatie is nog op zoek naar nabestaanden van de gefusilleerden om aanwezig te zijn bij de plechtigheid later dit jaar. Bereikbaar via deze website.

Dit najaar zal ik nieuw onderzoek publiceren over de gebeurtenissen rondom de fusillade. Steun mijn werk via de donatieknop op deze site!

Remi. De oorlogsgeschiedenis van twee broers.

De presentatie in de Hollandse Schouwburg van mijn nieuwe boek Remi. De oorlogsgeschiedenis van twee broers is helaas definitief afgeblazen. Maar verschijnen zal het boek nog steeds: op dinsdag 21 april aanstaande.
Reserveren zonder verzendkosten kan nu al via deze link.

De oorlogsgeschiedenis van twee broers

Indrukwekkende reconstructie van een dramatische oorlogsgeschiedenis

Op 16 oktober 1942 vindt een Bloemendaalse familie een baby op hun stoep. Zij noemen hem Remi, naar Alleen op de wereld. Ze kunnen het jongetje niet redden. De nazi’s brengen de vondeling naar de Joodse crèche in Amsterdam, tegenover de Hollandsche Schouwburg, van waaruit de deportaties naar Westerbork plaatsvinden. Remi blijft er zes maanden en wordt de lieveling van crècheleidsters en een Duitse bewaker.
Intussen wordt de moeder van Remi opgepakt en vermoord in Sobibor. Zijn vader en zijn twaalf jaar oudere broer Eddy weten de oorlog te overleven, maar ook Eddy was op zijn onderduikadressen vaak alleen op de wereld.
Lang na het overlijden van zijn vader, die nooit in staat is geweest om te praten over het lot van zijn vrouw en kind, start Eddy de zoektocht naar zijn broertje. Pas in 2002 ontdekt hij wat er precies met hem is gebeurd.
Journalist Frank van Kolfschooten reconstrueert in deze dubbelbiografie de geschiedenis van de twee broers aan de hand van ongepubliceerde herinneringen van Eddy Gezang, archiefonderzoek en gesprekken met overlevenden.

‘Van Kolfschooten munt uit in beschaafde nieuwsgierigheid en in medeleven zonder tranen. Zo gunt hij ons lezers alle ruimte om geraakt te worden.’ Adriaan van Dis

‘Frank van Kolfschooten heeft een hartverscheurend verhaal over een kleine vondeling en zijn grote broer in oorlogstijd tot leven gebracht; aangrijpend.’ Jan Terlouw

De flauwekul-hetze tegen Ad van Liempt

 

 

In Het Parool van afgelopen zaterdag publiceerde Frits Barend een aanklacht tegen Ad van Liempt. De Utrechtse journalist/historicus zou pronken met andermans veren. Theodor Holman schreef twee dagen later dat Van Liempt altijd een held van hem is geweest, maar dat hij door Barends artikel van zijn voetstuk is gevallen. Maar zijn Barends aantijgingen over Van Liempts jatwerk wel terecht? Nee, na kritische analyse blijft er weinig tot niets van over.

Wat draagt Barend aan over het vermeende jatwerk van Ad van Liempt? Zijn punten 1 en 8 gaan over een andere kwestie en hebben als belangrijkste functie om Van Liempt ongunstig te framen. Ze hebben betrekking op Van Liempts aanvankelijk lovende woorden over het boek Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer. Daar heeft Van Liempt al uitgebreid spijt over betuigd, nadat duidelijk werd dat Van Boetzelaers grootvader commandant van een Duits strafkamp was geweest en niet de verzetsman die in Oorlogsouders van hem is gemaakt. Van de herziene versie van dat boek heeft Van Liempt zich gedistantieerd.

Punt 2 lijkt gebaseerd op een correspondentie uit 2012 tussen tv-regiseur Bob Rooyens en Van Liempt, maar omdat Barend geen vindplaats noemt is dat niet met zekerheid te zeggen. Niet erg sterk om onduidelijk te zijn over eigen bronnen in een stuk dat andermans brongebruik aan de kaak wil stellen. Rooyens kritiek luidt dat Van Liempt in 2012 in een tv-programma een presenteer-wijze hanteerde die hij zelf in 1996 al had geïntroduceerd bij de Duitse tv. Er is geen reden om te twijfelen aan Van Liempts reactie dat hij onbekend was met dat Duitse programma van 16 jaar eerder. Rooyens beschimpt ook Van Liempts vermeende ijdelheid. Zelf is hij beslist niet ijdel blijkt uit de zeer beknopte biografie en de erelijst op zijn website. Dit punt heeft niets om het lijf.

Punt 3 gaat erover dat Van Liempts tv-programma De oorlog niet zo vernieuwend is als Van Liempt zou hebben doen voorkomen. Voorbeelden worden geput uit een recensie van historica Barbara Henkes in het vakblad BMGM, waarbij Barend van één voorbeeld over een documentaire waar Van Liempt niet naar verwijst, drie voorbeelden weet te maken. De recensie is vooral een kritische behandeling van Van Liempts historiografische benadering in een vakblad. Let wel: professionele historici volgen outsiders als Van Liempt met argusogen. Barend sleept er ook nog een aankondiging bij van het Verzetsmuseum, waarin de naam van Van Liempt helemaal niet wordt genoemd. Ook deze casus stelt niets voor.

Punt 4 gaat erover dat Van Liempt en zijn uitgever de indruk zouden hebben gewekt dat in Kopgeld terra incognita werd betreden. Hierbij baseert Barend zich op een citaat uit een recensie van Theo Gerritse in het AD. Van Liempt zou zijn voorgangers De Jong en Presser negeren. Maar wat schrijft Van Liempt in het ‘Woord vooraf’ van Kopgeld? “Hoe die laatste groep, de zogenaamde Colonne Henneicke, aangevuld met nog wat mensen eromheen, opereerde, is nooit eerder diepgaand onderzocht. De beschrijvers van de jodenvervolging in Nederland (Herzberg, De Jong, Presser, Moore) hebben er wel melding van gemaakt, maar zij bleven aan de oppervlakte.”

Ook suggereert het citaat van Gerritse dat Van Liempt verdonkeremaande dat Loe de Jong hem had verteld dat een opgepakte Jood 7,50 gulden opleverde. Maar dat vertelt Van Liempt nota bene zelf in zijn voorwoord: “In 1989 liet Loe de Jong mij, tijdens de voorbereidingen van de remake van de televisieserie De Bezetting, al eens een kwitantie zien waaruit bleek dat er voor gearresteerde joden premies waren geïnd.”

Ook punt 4 is kortom gebakken lucht.

Bij punt 5 trakteert Barend de lezer op citaten van sportschrijver Max Dohle. In welke context die zijn gedaan vermeldt hij niet. Eigen correspondentie met de auteur? De beweringen van Dohle behoeven in elk geval wederhoor bij Andere Tijden, maar dat heeft Barend niet gedaan. Het blijft daardoor een mistig verhaal over (vermeende) geschonden afspraken over de verschijningsdatum van een boek en het delen van informatie.

Punt 6 is een oude koe die Barend steeds uit de sloot blijft slepen. Hiermee begon Barends obsessie met Van Liempt. In 2012 zou Van Liempt in een lezing in Westerbork zonder bronvermelding hebben geciteerd uit een bijlage die Barend en Van Dorp in 1979 schreven voor Vrij Nederland. In feite citeerde Van Liempt echter uit interviews uit het programma Het spoor terug, waarvoor deels dezelfde personen waren geïnterviewd. Barends aantijgingen zijn al in 2012 overtuigend weerlegd door Marnix Koolhaas.

Punt 7 is een lange suggestieve uiteenzetting over het jubileumboek over het Rode Kruis dat Van Liempt schreef met Margot van Kooten. Historica Regina Grüter voelde zich gedupeerd omdat de aanvankelijk afspraak met het Rode Kruis was dat háár boek over de oorlogsgeschiedenis van het Rode Kruis eerder zou verschijnen dan het jubileumboek. De beslissing om dat om te draaien, is genomen door de directie van het Rode Kruis, niet door van Van Liempt. Wederhoor van Barend bij het Rode Kruis over de precieze toedracht zou op zijn plaats zijn geweest, maar dat heeft hij niet gedaan.

Punt 7 gaat ook over uitspraken van Van Liempt over het jubileumboek in de Tros Nieuwshow van 6 mei 2017, die hier online staat en waaruit zou blijken dat Van Liempt alle eer naar zich toetrekt. Het is leerzaam om alles eens precies na te lopen, om licht te werpen op Barends werkwijze. Zo beweert Barend dat Van Liempts co-auteur Margot van Kooten niet eens genoemd wordt. Dat gebeurt echter al na 30 seconden. En na 4 minuten refereert Van Liempt aan haar als hij zegt: “Onder onze handen begon het boek langzamerhand een soort monumentje voor het altruïsme te worden.” En na 8.23 minuten zegt hij: “We hebben dat zo goed mogelijk onderzocht.” Aan het slot van de uitzending wordt de naam van Van Kooten nogmaals genoemd.

Ook zou Van Liempt zich niet hebben gehouden aan de afspraak met Grüter om te verwijzen naar haar nog te verschijnen oorlogsboek, omdat hij dat niet meteen doet na de eerste vraag van de presentator over de oorlog. Maar hij vermeldt wel degelijk twee keer dat Grüters boek eraan zit te komen (op 10.52 en 13.40).

Van Liempt zegt dat Grüters boek bepaalde inzichten van het jubileumboek zal bevestigen, waarmee hij volgens Barend in feite zegt dat haar boek mosterd na de maaltijd is en dat hij, Ad Van Liempt, het allemaal al heeft opgeschreven. Het laatste stukje van Van Liempts zin, dat die oorlogsgeschiedenis “heftig” is, wat juist nieuwsgierig maakt naar Grüters boek, laat Barend weg. Het gaat dus om een kwaadaardige interpretatie van Van Liempts woorden.

Ook maakt Barend er een punt van dat Van Liempt zegt dat hij bij zijn onderzoek een verhaal heeft “ontdekt” over dwangarbeiders in Kampen, terwijl dat in 2003 al is beschreven in een biografie van Herman Broers (Barend noemt hem ‘Boers’) over internist Willem Kolff. Van Liempt en Van Kooten vermelden Broers’ boek gewoon bij de bronnen in het jubileumboek. Niets aan de hand dus. Ook dit laatste punt gaat helemaal nergens over.

En dus?

Dat Van Liempt het stuk van Barend ziet als een “poging tot karaktermoord” is volkomen begrijpelijk. Verbazingwekkend dat Het Parool zo’n zwak onderbouwde aanval heeft gepubliceerd. Misschien was de redactie geïmponeerd door de prominente namen van “kritische” meelezers en informanten die onder het stuk staan?

PS 21 augustus 2020 – slotakte van de flauwekul-hetze tegen Ad van Liempt

Van Liempt werd na het verschijnen van zijn stuk ook beticht van plagiaat en vervalsing van informatie in zijn proefschrift over Albert Gemmeker door publicist Bart F.M. Droog. De Rijksuniversiteit Groningen verklaarde zijn klacht hierover ongegrond op basis van zeer goed beargumenteerde adviezen van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit en beroepsorgaan LOWI. Van schending van de wetenschappelijke integriteit was geen sprake. Wel moest Van Liempt een aantal onzorgvuldigheden corrigeren in de elektronische versie van zijn proefschrift en in een eventuele papieren herdruk. Het Groningse bestuur nam zijn eerdere kritiek terug dat Van Liempt geen handelseditie had mogen uitbrengen van zijn proefschrift kort voor de promotie, want dat bleek in overleg met de universiteit te zijn gebeurd. 

 

 

 

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

Half miljoen voor onderzoek dubieuze wetenschap

Het VUmc gaat een enquête afnemen over wetenschappelijke integriteit onder alle Nederlandse academische wetenschappers. Onderzoekfinancier ZonMw heeft 450.000 euro uitgetrokken voor de enquête, die wordt uitgevoerd onder leiding van Lex Bouter, hoogleraar methodologie en integriteit. Het onderzoek moet betrouwbare schattingen opleveren over de frequentie van ‘betwistbare onderzoekspraktijken’ in verschillende wetenschapsdomeinen en verklaringen vinden waarom wetenschappers zich daaraan schuldig maken. Betwistbare onderzoekspraktijken zijn kleine tot grote overtredingen van ethische en methodologische principes die de geldigheid en betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten bedreigen.

De Nationale Studie over Wetenschappelijke Integriteit zal ook de onderzoekcultuur en het wetenschapssysteem analyseren en de rol die onderzoeksinstituten, financiers en uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften daarin spelen. Op basis van de resultaten worden per wetenschapsgebied actieplannen ontwikkeld om ‘verantwoorde onderzoekspraktijken’ te bevorderen.

Het VUmc is deze maand begonnen met de voorbereidingen van de enquête, die in de loop van 2019 wordt uitgezet. Wetenschappers kunnen anoniem deelnemen, om de kans op eerlijke antwoorden over het eigen gedrag te vergroten. De actieplannen moeten in 2021 klaar zijn.

De mythische Watersnoodwedstrijd in Parijs

Bram Appel (links) is aanvoerder van de Nederlandse profploeg die op 12 maart 1953 in het Parijse Parc des Princes met 2-1 wint van de Franse nationale ploeg (foto: Stichting Sporterfgoed)

Op 12 maart 1953 wonnen Nederlandse topvoetballers in het Parc des Princes in Parijs de beroemde Watersnoodwedstrijd tegen Frankrijk. Volgens een hardnekkige mythe zou de KNVB zich fel hebben verzet tegen deze benefietwedstrijd. Maar de bond maakte de wedstrijd juist mogelijk blijkt uit archiefonderzoek.

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 overstromen door een combinatie van noordwesterstorm en springtij grote delen van Zuid-Holland, Zeeland, West-Vlaanderen en Noord-Brabant; Dordrecht ontsnapt ternauwernood aan overstroming. Het KNVB-bestuur blaast het voetbal die zondag niet af, omdat de omvang van de ramp pas in de loop van de ochtend langzaam duidelijk wordt. Veel teams zijn bovendien al onderweg, zodat er bij afgelasting nog meer chaos zou ontstaan. Ook weet de KNVB niet zeker of een radiobericht over afgelasting iedereen wel zal bereiken, omdat er elektrische centrales zijn uitgevallen.

Er blijken uiteindelijk ruim 1800 doden te zijn gevallen en 72.000 men- sen moeten worden geëvacueerd. De schade aan huizen en inboedels is enorm. Het weekend daarna wordt er niet gevoetbald vanwege de nationale rouw die de regering heeft afgekondigd.

Meteen na de overstromingen start het Nationaal Rampenfonds onder voorzitterschap van prins Bernhard een inzamelingsactie voor de slachtoffers. De eerste dag komt er al twee miljoen gulden binnen. Ook de KNVB besluit een bijdrage te leveren door een benefietwedstrijd te organiseren voor het Rampenfonds. Via de rondzendbrieven die KNVB-secretaris Lo Brunt aan zijn collega’s stuurt om hen op de hoogte te houden van de dagelijkse gang van zaken op het bondsbureau, is precies te reconstrueren welke ingewikkelde intriges vervolgens leiden tot het spelen van een tweede benefietwedstrijd in Frankrijk, de beroemde Watersnoodwedstrijd. Over die wedstrijd doet al 65 jaar de hardnekkige mythe de ronde dat de KNVB zich fel zou hebben verzet tegen het spelen ervan. Ten onrechte.

 

Op 5 februari 1953 maakt secretaris Brunt een eerste opzet voor een interland tegen Denemarken op 7 maart. De dag daarna krijgt hij van Karel Lotsy (de maand daarvoor afgezwaaid als KNVB-voorzitter) een briefje doorgestuurd van de voorzitter van de Duitse voetbalbond Peco Bauwens, die ‘Lieber Karel’ daarin meldt dat hij een benefietwedstrijd zou willen organiseren tussen een Nederlands en een Duits team. Brunt blijkt daar wel voor te voelen, maar het Joodse KNVB-bestuurslid Martijn Sajet ziet helemaal niets in het voorstel omdat hij de Duitsers haat. ‘Wanneer ik een compagnon heb die zich tegenover mijn vrouw en dochters op schandelijke wijze zou misdragen en het zou mij in zaken beroerd gaan, dan zou ik nog liever van honger creperen, dan dat ik van zo een heerschap een gift zou aannemen.’ Hij noemt het aanbod van Bauwens ‘politiek gezien handig maar ’t ligt er te dik op’. Sajet zegt dat Brunt de Duitse bond maar moet terugschrijven dat ze best een benefietwedstrijd mogen organiseren voor Nederland, zolang er maar geen Nederlands team bij betrokken hoeft te worden.

Op 6 februari spreekt Brunt met de Deense bond, die akkoord gaat met het spelen van een interland op 7 maart. Die dag komt er volgens Brunt ook een ‘prachtig aanbod’ van de Fransen binnen. Hij is gebeld door het ANP, dat aankondigt dat de Franse voetbalbond de KNVB een aantal voorstellen zal doen om Nederland te helpen: ze willen een deel van de recettes van de laatste zestien wedstrijden om de Franse Cup afstaan; ze willen de recette afstaan van een lichtwedstrijd in Parijs tussen een Frans en Nederlands elftal; ze willen voor Nederland regionale wedstrijden organiseren tegen Nederlandse districtselftallen; en elke Franse club wil een of twee kinderen uit Nederland adopteren. Brunt kondigt aan dat hij de andere bestuursleden de volgende dag zal bellen over dit aanbod.

Op 7 februari maakt Brunt een conceptpersbericht over de interland tegen Denemarken, dat hij die avond verstuurt na goedkeuring van de anderen. Er gaat ook een brief naar de FIFA met de vraag of de gebruikelijke afdracht van 2 procent van de recette in dit geval achterwege mag blijven. Brunt krijgt die dag ook een brief van de Nederlandse KNVB-consul in Parijs, Coucke, die een telefoontje heeft gekregen van Gaston Benac, een redacteur van France Soir. Deze Benac wil een wedstrijd organiseren tussen de Nederlandse profs in Frankrijk en een Franse profselectie. Coucke heeft hem doorverwezen naar de Franse voetbalbond FFF. De consul heeft gehoord dat de FFF maandagavond 9 februari gaat vergaderen over een voorstel aan Nederland. Hij vraagt hoe Nederland aankijkt tegen spelen tegen Frankrijk. Coucke stuurt ook een voorstel mee van Theo Timmermans (prof bij Nîmes) om een wedstrijd te spelen met elf Nederlandse profs in Frankrijk.

Brunt bedenkt die dag met zijn collega’s Hopster, Kruyver en Reyseger het volgende plan: ‘Een Frans elftal speelt in Parijs tegen een elftal van Nederlandse profs die in het buitenland vertoeven. Niet alleen profs uit Frankrijk doch ook Faas Wilkes (Torino, FvK) en Frans de Munck (FC Köln, FvK) zouden kunnen meespelen.’ Brunt heeft nog niet alle bestuursleden kunnen bellen, maar hoopt dat iedereen akkoord gaat.

Brunt wil het Nederlands-Franse profgezelschap niet in Nederland ont- vangen, omdat de voetbalbond tegenstander is van de komst van betaald voetbal in Nederland. ‘Het is een gevaarlijk spelletje om de profs in Nederland tegen een Nederlands elftal te laten spelen. Ik ken uw aller standpunt. De zaak is nog een beetje moeilijker geworden omdat Hans Tetzner [deze oud-international is commissaris van het Olympisch Stadion en groot voorstander van de invoering van beroepsvoetbal, FvK] gisteren met prins Bernhard dit laatste idee heeft besproken. De prins was er enthousiast voor en heeft zijn secretaris opdracht gegeven zich met mij in verbinding te stellen. Als ik deze kan vertellen dat het bondsbestuur al een oplossing heeft gevonden, zal hij wel tevreden zijn. Er staat zoveel voor het Nederlands elftal op het programma dat wij de jongens nog niet meer kunnen vragen. Laat ons hopen dat Nederland-Denemarken de klapper wordt die ervan wordt verwacht.’

Brunt krijgt inderdaad een telegram van dr. F.A. de Graaff, de particuliere secretaris van prins Bernhard: ‘In opdracht zkh de Prins der Nederlanden bericht ik u dat hem in kwaliteit voorzitter Nationaal Rampenfonds van de zijde van Bestuur Amsterdams Stadion voorstel bereikt inzake organisatie voetbalwedstrijd elftal Nederlandse professionals Frankrijk en Italië tegen Nederlandse combinatie stop men verwacht opbrengst van drie ton stop begrepen worden moeilijke kwesties hieraan verbonden doch Zijne Koninklijke Hoogheid verzoekt toch zeer ernstige overweging stop verzoeke nader contact met mij te willen opnemen = De Graaff secretaris.’

Brunt schrijft zijn collega’s dat toen Tetzner met de prins sprak nog niet bekend was dat Nederland tegen Denemarken zou spelen. ‘Inmiddels hebben wij het voorstel gedaan Nederlandse profs in Parijs te laten spelen, waarop nog geen antwoord is gekomen.’ De Graaff blijkt begrip te hebben voor het KNVB-standpunt om de Nederlandse profs niet in Nederland te laten spelen. Brunt zegt de secretaris dat hij hoopt dat de prins naar Nederland-Denemarken komt kijken.

Op 11 februari meldt consul Coucke dat de Franse bond niet wil spelen tegen de Nederlandse profs. ‘Het gaat niet alleen uit van de bond, maar in het algemeen van het Franse volk en daarom moet het een wedstrijd zijn Holland-Frankrijk. Een wedstrijd van de Nederlandse spelers hier gevestigd in Frankrijk is uitgesloten, het moet Holland zijn.’ Als datum wordt genoemd 25 februari. Brunt zit ermee in zijn maag en schrijft aan zijn collega’s: ‘Dit is een buitengewoon moeilijk geval, omdat het niet prettig is om buitenlanders die de vriendhand reiken voor het hoofd te stoten.’

Hij bespreekt het probleem met Hopster en Kruyver, die geen overhaast besluit willen nemen en het punt doorschuiven naar de bestuursvergadering van zaterdag 14 februari. De Fransen schatten dat ze 15.000 gulden kunnen binnenhalen met de wedstrijd, wat Brunt wel wat weinig vindt. De secretaris belt Coucke over het uitstel van een beslissing, die ‘zeer teleurgesteld’ is over Brunts ‘weinig enthousiaste houding’. Intussen storten diverse buitenlandse voetbalbonden geld uit eigen kas: de Duitse bond 9000 gulden, de Italiaanse 6000 gulden en de Zwitserse 10.000 gulden.

Op de bestuursvergadering van 14 februari blijkt dat de Technische Commissie vreest dat een wedstrijd van het Nederlands elftal tegen het Franse elftal zal eindigen in een grote nederlaag. De Nederlandse voetballers zijn door de winterstop maanden niet in het veld geweest en de centrale training van het Nederlands elftal is nog niet begonnen. De Franse competitie daarentegen is geen enkele week onderbroken en het Franse nationale elftal is bovendien zeer sterk op dat moment. Het KNVB-bestuur besluit Kruyver en Brunt naar Parijs te sturen om de Franse voetbalbond te laten weten dat het onmogelijk is deze wedstrijd te arrangeren. ‘Er zal evenwel worden getracht een wedstrijd te organiseren tussen het Franse elftal en de in Frankrijk, respectievelijk in Italië en Duitsland wonende profs,’ zo wordt besloten.

Op 20 februari vliegen Brunt en Kruyver naar Parijs. Ze komen daar met de Franse bond overeen om toch een wedstrijd te laten spelen tussen Frankrijk en de Nederlandse profs. Deze zal op 12 maart plaatsvinden in het Parc des Princes en de profs zullen niet in het oranje spelen (dat is de kleur van het echte Nederlands elftal), maar in rood shirt, witte broek en blauwe kousen. Na afloop zal de Franse bond een eremaaltijd aan bond en spelers aanbieden.

Enkele dagen later spreekt de KNVB in Keulen met de Duitse bond. Ze maken duidelijk dat een wedstrijd Nederland-Duitsland nog een brug te ver is, maar een wedstrijd tussen West-Duitsland en Oost-Nederland is wel acceptabel.

Oud-bondsvoorzitter Lotsy staat geheel buiten de onderhandelingen over de wedstrijd van de Franse profs. Wel stuurt hij Brunt op 26 februari 1953 een briefje als hij in de krant leest dat Bram Appel zich tot prins Bernhard heeft gewend voor een wedstrijd van de profs in Nederland. ‘Ik kan ons bestuur niet genoeg adviseren en dringend aanraden hierop niet in te gaan. Heren als Appel e.d. hebben andere oogmerken. Een deel van de pers zal zich als hyena’s op de wedstrijd werpen (…) Er zullen beslist acties ten bate van het semiprofessionalisme opnieuw ontketend worden. Bovendien zullen straks Appel c.s. zeggen: voor geld spelen, voor liefdadige doeleinden zijn we goed genoeg, maar bijvoorbeeld om ons als amateurs terug te nemen niet! Drogredenen natuurlijk, maar gij zult het zien.’ Brunt checkt het verhaal bij Appel, maar dat blijkt niet te kloppen.

Het KNVB-bestuur gaat op 28 februari 1953 akkoord met de afspraken van Brunt en Kruyver, maar legt meteen vast dat ‘nimmer toestemming zal worden gegeven dat de Nederlandse professionals een wedstrijd in Nederland spelen tegen het Nederlands elftal’.

De aankondiging van de wedstrijd in Parijs zorgt voor grote opwinding in Nederland. Journalist Van Emmenes stelt vast dat geen mens warm loopt voor Nederland-Denemarken op 7 maart, ‘al zal de waardering voor het goede doel het Stadion wel vol maken’. Er is volgens hem maar één onderwerp dat de mensen bezighoudt: ‘Parijs! Gaat u ook naar Parijs? Je hoort niet anders, van de slager, de schillenboer, de glazenwasser, de tramconducteur, de exclusieve ober en de kapper.

Van Emmenes komt nog even terug op Lotsy’s opmerking van vóór de Watersnoodramp dat lezers van dag- en sportbladen niet geïnteresseerd zouden zijn in buitenlandse profs. ‘Nou, nou! Niet zodra wordt bekend of die spelers gaan met hangen en wurgen en feitelijk zonder backs een elftal formeren of heel voetballend Nederland staat op z’n kop,’ aldus de ingenieur.

Het Feijenoordstadion loopt op 7 maart inderdaad vol voor de wedstrijd tegen de Denen. Prins Bernhard schudt aanvoerder Abe Lenstra vooraf de hand. Opnieuw wordt duidelijk hoe zwak Nederland is want het wordt een 2-1 nederlaag, de Nederlandse goal is van Abe. Financieel is de wedstrijd wel een succes met een opbrengst van 200.000 gulden voor het Rampenfonds.

Er gaan vijf- à tienduizend Nederlanders naar het Parc des Princes in Parijs, onder wie ook Abe Lenstra. Van de 38.000 plaatsen in het Parc des Princes blijven er zesduizend leeg. De recette bedraagt 114.000 gulden.

Voor Nederland komen in het veld: De Munck (prof bij FC Köln in Duitsland), Vreken, Van der Hart, De Vroet, Schaap, De Kubber, Appel, Timmermans, Van Geen, Rijvers en De Harder. Faas Wilkes mag van Torino niet meespelen vanwege een knieblessure. De grootste naam aan Franse zijde is Raymond Kopa. De Nederlandse profs winnen verrassend maar verdiend met 2-1 door doelpunten van De Harder en Appel. Voor de KNVB zijn aanwezig de bestuurders Reyseger, Sajet, Kruyver, Dénis en Hoolboom. Brunt begeleidt de spelers en houdt na afloop een ‘enthousiaste speech’.

‘De toekomst zal leren in hoeverre deze wedstrijd (…) als een historisch sportevenement zal worden aangemerkt,’ schrijft Van Emmenes. ‘Of de strijd tegen het krampachtig vasthouden aan een verouderd amateurisme opnieuw zal oplaaien, dient te worden afgewacht. Deze wedstrijd in Parijs heeft vele duizenden wellicht de ogen geopend, maar of het gedenkwaardige resultaat ervan zal kunnen leiden tot een koerswijziging van voetballeiders die zich tot dusver blind voor de werkelijkheid hebben getoond? Wij moeten het eerlijk gezegd betwijfelen.’

Maar de geest is uit de fles na de Watersnoodwedstrijd en de komst van profvoetbal in Nederland blijkt niet meer te stuiten. Op 4 juli 1954 gaat de bondsvergadering van de KNVB uiteindelijk akkoord met de invoering van semiprofessioneel voetbal met ingang van het nieuwe seizoen.

(Dit is een bewerking van een hoofdstuk uit De Dordtse magiër. De val van volksheld Karel Lotsy.)

De Venus van Willendorf is zo naakt nog niet

De Venus van Willendorf
Foto Matthias Kabel/Wikipedia

 

Facebook is weer eens in het nieuws met doorgeslagen censuurbeleid. De sociaalnetwerksite verwijderde een foto van de Venus van Willendorf vanwege de vermeende onbetamelijkheid van dit beeld. Onderzoek van de Amerikaanse archeologe Olga Soffer wijst uit dat Venus meer aan heeft dan het lijkt.

Ze is de meest besproken vrouw uit de archeologie. Generaties wetenschappers hebben getuurd naar haar kolossale borsten en billen, in een poging haar geheimen te doorgronden. Waarom heeft zij geen gezicht, geen tepels, geen voeten? De Venus van Willendorf, een lemen beeldje van 12 cm hoog, is de fantasie blijven prikkelen sinds zij in 1908 werd opgegraven in het Oostenrijkse plaatsje waarnaar zij vernoemd is. De meest uiteenlopende verklaringen zijn op tafel gekomen voor dit 25.000 jaar oude object: van vruchtbaarheidssymbool tot erotisch attribuut of speelgoed voor Steentijdkinderen.

In 2004 in het tijdschrift  Current Anthropology  gepubliceerd onderzoek wees uit dat iedereen zich zo heeft laten verblinden door haar opvallende naaktheid dat er al die jaren iets wezenlijks over het hoofd is gezien. ‘Er is nooit goed gekeken naar de delen die wél bedekt zijn’, zegt Olga Soffer, hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Illinois. ‘De zeven concentrische ringen op haar hoofd zijn altijd beschouwd als een artistiek of erotisch kapsel uit het paleolithicum, maar dat is het niet. Het is een muts, geweven van plantaardige vezels.’ Een revolutionaire stelling, want volgens de heersende opvattingen over de oudere Steentijd liepen vrouwen toen rond in stinkende dierenvellen en was de weefkunst nog helemaal niet bekend. Mannelijke jagers maakten de dienst uit met hun vuistbijlen, stenen pijlen en speren waarmee ze rendieren en mammoeten te lijf gingen.

Olga Soffer en haar collega’s James Adovasio en David Hyland van Mercyhurst College in Pennsylvania begonnen te vermoeden dat dit paradigma over het Paleolithicum aan herziening toe was. Bij opgravingen in Moravië ontdekten ze in kleine stukjes gebakken klei merkwaardige indrukken. Uit microscopisch onderzoek van deze patronen leidden ze af dat ze afkomstig moesten zijn van kleding, touw, netten en manden van plantaardig materiaal, dat lang geleden vergaan was. De indrukken waren soms zo scherp dat ze konden analyseren welk soort knoop er was gebruikt bij het vervaardigen van het textiel. De Amerikanen bestudeerden vervolgens duizenden stukjes klei, afkomstig van opgravingen in Frankrijk, Duitsland en Rusland en troffen daar vergelijkbare afdrukken aan. Dat sterkte hen in de overtuiging dat de ‘vezelrevolutie’ (string revolution), zoals hun collega Elizabeth Barber die heeft gedoopt, veel eerder heeft plaatsgevonden dan tot nu toe gedacht werd. ‘We vonden het wat zwak om bij zo’n revolutionaire claim alleen aan te komen met indirecte bewijzen’, vertelt Soffer. ‘We bedachten toen dat er misschien ook iconografische bewijzen waren, omdat mensen ook in de prehistorie al geneigd waren om de vaardigheden en activiteiten die ze waardevol vonden, in beelden vast te leggen.’ Zo kwamen de onderzoekers uit bij de beeldjes die zijn gevonden op plaatsen waar in het Paleolithicum mensen woonden. De eerste daarvan, een ivoren beeldje van 8 centimeter zonder hoofd, handen en voeten, werd in 1860 opgegraven in de Franse Dordogne. De vinder doopte het ‘onzedige Venus’, om haar te onderscheiden van de ranke klassieke Venus, die haar geslachtsdelen kuis bedekt houdt. Later werden (stukken van) dergelijke Venusbeeldjes ook in andere delen van Europa en Azië gevonden. Soffer heeft met haar collega’s alle musea bezocht waar ze worden bewaard, van Moskou en St. Petersburg tot Wenen en Parijs, om er met een frisse blik naar te kijken onder de microscoop. ‘En toen zagen we dat al die versieringen die tot nu toe in de literatuur zijn bestempeld als tatoeages of kapsels in feite kledingstukken waren. We zagen ineens riemen, armbanden, hoofddeksels, netrokjes en dunne strippen om de romp, een soort beha’s zonder cups. We zijn al die jaren ziende blind geweest.’

Soffer, die voor ze antropologe werd in de modewereld werkte, vergelijkt sommige textielwerken met de linnen creaties van Calvin Klein of Donna Karan en trekt parallellen tussen de muts van de Venus van Willendorf en Jamaicaanse reggaepetten. Het ‘haarnet’ van de Venus van Brassempouy ziet ze terug in de hoofddoekjes (baboesjka’s) van Russische boerinnen of van Amerikaanse Amish-vrouwen. Ze roemt de precisie waarmee de details van deze kledingstukken zijn aangebracht op de Venusbeeldjes. ‘Bij het netrokje van de Venus van Lespugue kun je de draairichting van de vezels heel precies volgen. Daar is veel meer aandacht aan besteed dan aan de lichamelijke details. De identiteit van de uitgebeelde vrouwen doet er helemaal niet toe, daarom hebben ze ook geen herkenbare gezichten. De mensen uit de IJstijd hebben met de Venusbeeldjes voor alles hun weeftechnieken willen etaleren in steen, ivoor of bot. En daar waren ze zo te zien al duizenden jaren bedreven in. Wij denken dan ook dat de weefkunst minstens 40.000 jaar oud is.’

Volgens Soffer is de indeling van de menselijke prehistorie in steen-, brons- en ijzertijd daarom maar voor een deel adequaat. De ontdekking van de weefkunst (touwdraaien) moet een enorme omslag hebben veroorzaakt in het leven van deze steentijdmensen. Ze konden daardoor ineens lichtgewicht manden maken om voedsel in te bewaren, zware voorwerpen verplaatsen met touwen en vlotten bouwen van elkaar geknoopt hout. Vrouwen konden draagzakken maken voor baby’s, waardoor ze hun handen vrij hadden voor andere zaken. ‘Dat alles had ingrijpende gevolgen voor de arbeidsverdeling, want dat betekende dat er niet alleen meer volwassen mannen op pad hoefden te worden gestuurd om op groot wild te jagen. Vrouwen konden zich nu ook nuttig maken voor de jacht door het knopen van netten, bijvoorbeeld van brandnetels, en door deze samen met kinderen uit te zetten voor het vangen van vis en klein wild.’

Soffer denkt dat weven en mandenmaken een vrouwenzaak was in het Paleolithicum, mede omdat de iconografie zo duidelijk met vrouwen verbonden is. Er zijn uit die periode ook geen mannenbeeldjes bekend met kleding. ‘Bovendien leert de iconografie ons dat weven in alle maatschappijtypen sterk verbonden is met vrouwenwerk, tenminste zolang weven wordt ingezet voor huishoudelijke behoeften en consumptie. Mannen komen pas in beeld als er handelsartikelen voor de markt geproduceerd gaan worden.’

Soffer betwijfelt ook of beeldhouwen een mannenactiviteit was in het paleolithicum, zoals altijd is aangenomen. ‘Misschien was dat niet altijd zo. Aan sommige Venusbeeldjes kun je duidelijk zien dat de beeldhouwer goed op de hoogte moet zijn geweest van de finesses van de weefkunst. Dat betekent dat die persoon of zelf een wever moet zijn geweest of zich uitgebreid moet hebben laten adviseren. Maar dit zijn speculaties, die je alleen kunt toetsen als je een tijdmachine zou hebben.’

Soffer denkt niet dat de Venusdracht alledaagse kleding was. ‘Misschien was het rituele kleding. Op christelijke iconografie staan heiligen ook altijd met een halo afgebeeld, maar daar liepen ze ook niet mee rond. Het is ook helemaal niet gezegd dat vrouwen geen dierenhuiden droegen. In koude maanden zal dat best behaaglijk geweest zijn, maar ook hier spelen de stereotypen ons parten. We denken bij het woord IJstijd aan felle kou, sneeuw en ijs, maar het was in de gebieden waar we deze voorwerpen hebben gevonden ook wel eens zomer en dan liepen die mensen echt niet in warme huiden rond.’

Volgens Soffer moeten archeologen zich realiseren dat ons beeld van het Paleolithicum gebaseerd is op hooguit vijf procent van de materialen die de mensen toen gebruikten. ‘We hebben alleen gekeken naar de activiteiten van mannen tussen de 15 en 35 jaar, de jagers, omdat die duurzame voorwerpen gebruikten. Daarmee zijn we voorbijgegaan aan jongens en meisjes die nog te jong waren voor de jacht, de ouderen en de vrouwen. De onzichtbare meerderheid heeft gebruik gemaakt van materialen die de millennia niet overleefd hebben. Uit later tijden hebben we wel goed geconserveerde overblijfselen en dan zie je hoe belangrijk die vergankelijke artefacten zijn. We zullen terugwintechnieken moeten ontwikkelen om ook meer te weten over plantaardige materialen uit het Paleolithicum.’ Ze denkt bijvoorbeeld aan het analyseren van grond van paleolithisch nederzettingen met behulp van flotatie, een techniek waarbij allerlei plantaardige materialen zoals zaden en houtskool komen bovendrijven.

Ook verwacht Soffer veel van een heranalyse van de bestaande prehistorische collecties in musea. ‘Een enorme klus. Maar als we die helemaal opnieuw doorploegen kunnen we veel te weten komen over de gereedschappen waarmee deze vrouwen kleding weefden en manden maakten. Ik ben ervan overtuigd dat allerlei stukjes bot en ivoor geïnterpreteerd zijn als jachtattributen, terwijl ze dat helemaal niet zijn. Ik heb al wat voorwerk gedaan en dat was veelbelovend. Er zijn bijvoorbeeld op diverse plaatsen ivoren naalden gevonden die de traditioneel beschouwd worden als naalden om dierenhuiden mee te stikken. Ik heb enkele daarvan eens wat beter bekeken en kwam tot de conclusie dat ze veel te klein zijn voor zulk zwaar stikwerk. Als we andere vragen gaan stellen aan het materiaal, komen de antwoorden vanzelf. De data spreken nooit voor zichzelf in de wetenschap.’

(Dit verhaal is eerder gepubliceerd in weekblad Intermediair – 2004)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Halbe & Co: fantasten in de politiek

(foto ministerie van Buitenlandse Zaken)

 

Minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra verzon dat hij in 2006 in de datsja van Vladimir Poetin was. Twee staatssecretarissen en diverse politici gingen hem voor met pijnlijke verzinsels. Een overzicht.

Voorbeelden genoeg van politici die een smet op hun cv vergeefs proberen weg te poetsen. LPF-lid Philomena Bijlhout kon in 2002 na enkele uren inrukken als staatssecretaris omdat ze was ‘vergeten’ dat zij ook na de Decembermoorden van 1982 nog lid was geweest van de burgermilities van het regime-Bouterse. En Rita ‘Trots op Nederland’ Verdonk erkende pas dat ze als student lid was geweest van de linkse PSP toen het bewijs in 2008 opdook in de archieven.

Van een heel andere categorie zijn politici die hun cv oppoetsen met verzinsels. VVD-staatssecretaris Charles Schwietert kon in 1982 na drie dagen zijn biezen pakken toen bleek dat hij helemaal geen doctorandus was, zoals hij zelf beweerde, en ook geen luitenant was geweest in het leger maar slechts korporaal. In 1994 promoveerde Schwietert tot doctor aan de Amerikaanse Hawthorne University, maar dit was volgens hoger onderwijsorganisatie Nuffic geen erkende universiteit. Schwietert leverde zijn doctorstitel weer in toen hij ook nog eens werd beschuldigd van het gebruik van een vervalste doctorandusbul bij zijn toelating voor Hawthorne. Hij sloeg terug met een boek over (onterechte) imagobeschadiging en -herstel.

Partij voor de Vrijheid-lid Mellony van Hemert verdrong Schwietert in 2009 van kop op de lijst van politieke cv-fantasten toen bleek dat zij niet was gepromoveerd. De PVV probeerde de ophef aanvankelijk te sussen met de mededeling dat Van Hemert door ziekte niet had kunnen controleren hoe zij werd gepresenteerd op de kieslijst. Zij moest zich ‘om medische redenen’ alsnog terugtrekken als kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen toen ook nog eens bleek dat zij in 2009 onder het pseudoniem Tischa van Oord een boek vol verzinsels had geschreven, onder de titel Mijn familie. Wat geheim moest blijven over de zaak-Nulde. Daarin vertelde ze hoe ze als kind slachtoffer was geworden van seksueel misbruik en mishandeling door familieleden, met als meest memorabele zin: ‘Lezers zullen zich wellicht betrappen op de gedachte: dit is zo schokkend, dit kan toch niet waar zijn?’

Misschien had psychiater Cailin Kuijt van de lijst van Bij1 (de partij waarmee Sylvana Simons dit voorjaar meedoet aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen) haar licht over deze kwestie kunnen laten schijnen. Ware het niet dat zij nooit bleek te zijn geregistreerd als psychiater. Nadat hierover ophef ontstond trok Kuit zich terug met een schimmig verhaal.

Het valt allemaal in het niet bij de capriolen van Halbe Zijlstra, de eerste Nederlandse politicus die de wereldpers (waaronder de Washington Post) haalde met een verzinsel en zichzelf toch geloofwaardig bleef vinden.

[delen van dit artikel verschenen eerder in true crime magazine Koud bloed (nr 9)]

Veroordeeld voor majesteitsschennis: de zaak-Fabius

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over afschaffing van het verbod op majesteitsschennis. Geruchtmakend was in 1954 de rechtszaak wegens majesteitsschennis tegen Jan Fabius. Hij was de eerste journalist die openlijk kritiek durfde te hebben op de ongewenste invloed van gebedsgenezeres Greet Hofmans op koningin Juliana. Fabius werd na huiszoeking vier dagen vastgezet voor verhoor en veroordeeld tot tien dagen cel. Een reconstructie.

Journalist Jan Fabius (1888-1964) wist niet wat hem overkwam toen hij op zaterdagochtend 2 oktober 1954 om 8 uur ’s ochtends uit zijn bed werd getrommeld door een dozijn politieagenten onder leiding van een rechter-commissaris, met in hun kielzog een officier van justitie en een politiecommissaris. Het gezelschap volgde hem tot in zijn slaapkamer, alsof de 67-jarige elk moment op de vlucht kon slaan. Bij de huiszoeking die volgde werden al zijn persoonlijke en werkpapieren in beslag genomen, evenals de kaartenbakken met abonnees van het periodiek de Nieuwsbrief waarvan hij hoofdredacteur was. Fabius kreeg niet de gelegenheid om een advocaat te bellen en werd meegenomen naar het politiebureau voor verhoor. Daar werd hij vier dagen vastgehouden.

Hij kreeg te horen dat hij werd verdacht van majesteitsschennis in het laatste nummer van de Nieuwsbrief. Dat bevatte een artikel onder de kop ‘Het “neen” van de Koning’ over de Troonrede die koningin Juliana had voorgelezen op Prinsjesdag op 21 september 1954. Fabius ‘bekende’ meteen dat hij de auteur was van dat artikel, waarin hij inging op de mogelijkheden van de koningin om mee te beslissen over de inhoud van de Troonrede. De overtuigd aanhanger van de monarchie had zich eraan gestoord dat in de Troonrede een wetsontwerp was aangekondigd over de opheffing van het zogenaamde Uniestatuut tussen Nederland en de Verenigde Staten van Indonesië, de Nederlandse tegenhanger van het Britse Gemenebest.

Fabius vond dit plan ongrondwettig en was van mening dat Juliana ‘hier wel degelijk een woord kan meespreken en de macht heeft te voorkomen, dat er dingen gezegd worden, die Haar in conflict brengen met de door Haar op de grondwet afgelegde eed’. Hij noemde de opheffing van het Uniestatuut niet alleen een ‘juridisch monstrum’, maar ook ‘volkomen immoreel’, omdat dat ‘de rechten van de minderheden negeert, een revolutionaire daad sanctioneert en de Ambonezen van hun wettige, door de Koningin zelf bekrachtigde situatie berooft. […] Zij had hier “neen” kunnen en moeten zeggen.’

 

Gevoelige snaar

Fabius sloot zijn artikel af met een zin die hem duur zou komen te staan, omdat hij geen idee had welke gevoelige snaar hij daarmee raakte: ‘Tenzij dan, dat H.M. door Hare drukke werkzaamheden als het ontvangen van ouden van dagen, het bijwonen van concourses hippiques en congressen, het openen van scholen voor zwakzinnige kinderen enz. enz. geen tijd meer heeft om zich aan staatszaken te wijden en rustig tot bezinning te komen, waardoor alle belangrijke kwesties overgelaten worden aan de dames Tellegen, Tjeenk Willink en Hofmans.’

Hij had het over Marie Anne Tellegen, directeur van het kabinet der Koningin, Martina Tjeenk Willink, vriendin van de koningin, en vooral over Greet Hofmans, de vrouw die Juliana in 1948 had ingeschakeld om de oogafwijking van prinses Marijke (Christina) te behandelen. Dat was geen succes maar Juliana raakte daarna zeer onder de indruk van haar occultisme en pacifistische opvattingen. Zij hechtte grote waarde aan de ‘doorgevingen’ die Hofmans kreeg over allerlei zaken. Dat dit tot steeds grotere spanningen leidde tussen Juliana en prins Bernhard was geen geheim in de hoogste politieke kringen. Minister-president Drees toonde zich al in 1951 in de ministerraad bezorgd dat Hofmans ook politieke invloed probeerde uit te oefenen ‘en als een Raspoetinfiguur wordt aangeduid’.

In 1952, kort na Juliana’s staatsbezoek aan de VS, wilde de Amerikaanse journalist Daniel L. Schorr in Life een artikel wijden aan het paleis- en huwelijksconflict, maar dat wist de regering te voorkomen, waarvoor hij in 1955 beloond werd met een lintje. De Nederlandse pers, voor zover ingewijd, zweeg discreet.

Dat Fabius nu in de Nieuwsbrief openlijk refereerde aan de invloed van Hofmans en haar aanhang binnen de hofhouding, was tegen het zere been. Welke acties leidden tot zijn arrestatie, en of Juliana daar zelf een rol bij speelde, is niet bekend. Historicus Cees Fasseur deed de zaak-Fabius in zijn standaardwerk over de Hofmansaffaire, Juliana en Bernhard, af met één zin. In het archief van de christelijke historicus en politicus F.C. Gerretson, die net als Fabius zeer kritisch was over de naoorlogse Indonesiëpolitiek, vond ik in 2011 een map over de zaak-Fabius die meer licht werpt op de zaak. Fasseur raadpleegde dit archief volgens zijn bronnen niet, mogelijk omdat de bewuste archiefmap verkeerd was opgeborgen in het Nationaal Archief.

 

Gewoon misdadiger

In oktober 1955 moest Fabius voor de Haagse rechtbank verschijnen. Zijn advocaat beklaagde zich erover dat Fabius ‘vier dagen werd vastgehouden als een gewoon misdadiger’ en was vrijgelaten op voorwaarde dat hij niet over de zaak zou schrijven en met niemand over zijn behandeling zou spreken. Ook vond de advocaat het onthutsend dat er zelfs een psychiatrisch rapport over Fabius was opgesteld door de Haagse zenuwarts Machiel Zeegers , ‘blijkbaar met de bedoeling de heer Fabius ontoerekeningsvatbaar te verklaren’.

De officier van justitie eiste een boete van 500 gulden of een maand hechtenis en vier maanden voorwaardelijke gevangenis met een proeftijd van liefst drie jaar. De rechter veroordeelde Fabius uiteindelijk tot tien dagen cel. Hij ging in hoger beroep maar verloor.

Met die tien dagen kwam Fabius er nog genadig af getuige eerdere veroordelingen voor majesteitsschennis die zijn advocaat in zijn pleidooi noemde.

In 1896 kreeg Louis Hermans, redacteur van het socialistische blad De Roode Duivel, zes maanden cel vanwege een kwetsende prent. Daarop staan koningin Wilhelmina en regentes Emma afgebeeld als balletdanseressen op een wagen die wordt voortgetrokken door ezels bereden door mannen verkleed als rechters en geestelijken, met als bijschrift ‘Gaat dat zien!’ [De advocaat vergist zich in zijn pleidooi en beschrijft een andere prent waarop Wilhelmina belastinggelden incasseert, FvK]

Fabius’ advocaat memoreerde ook een veroordeling in hetzelfde jaar van een man die op een fluitje had geblazen bij het passeren van Emma en Wilhelmina in een open ruituig. De fluitist kreeg drie maanden cel en zijn fluit werd vernietigd (wat is er gebeurd met de waxinelichthouder die Erwin Lensink in 2010 gooide naar de Gouden Koets?). Een vrouw die in 1943 over Wilhelmina had gezegd ‘Onze koningin, dat rotterige wijf, is dat ook een moeder voor haar kinderen?’ kreeg zes maanden cel in 1946 (nadat Wilhelmina uit Londen was teruggekeerd en haar kinderen uit Canada).

 

Schikgodinnen

Fabius bleef woedend over zijn veroordeling en correspondeerde erover met historicus en Eerste Kamerlid Gerretson. Op 8 maart 1956 schreef Fabius hem in een brief vol staatsrechtelijke overwegingen, dat hij van mening bleef dat de koningin haar eed had gebroken en dat het zijn plicht als ‘onderdaan’ was geweest om haar te waarschuwen. ‘[…] toen de koningin doorging en blijkbaar akkoord ging met het verbreken van het Uniestatuut […] heb ik de consequenties aanvaard. Daar ik wist, dat H.M. onder druk van de drie schikgodinnen handelde heb ik de geïncrimineerde zinsnede gebruikt. Deze betekende voor elke goede lezer, Koningin gij hebt nu ten tweede male uw eed gebroken, schei er nu eens mee uit, besteed wat meer tijd aan staatszaken en wat minder aan oppervlakkige charitatieve dingen en vooral ontworstel je aan de dames rond je. Ik heb het verder zo ingekleed, dat ik de schuld van de eedsbreuk verkleinde door deze te werpen op de drie dames. Ja, kijk eens, iemand moet het zeggen, niemand heeft mij nog kunnen verwijten, dat het niet juist was wat ik schreef.’

Op 9 maart 1956 verscheen een volgende aflevering van de Nieuwsbrief, waarin Fabius zich beklaagde over de in zijn ogen schandalige behandeling. Hij vond dat zijn rechten waren geschonden bij de inval omdat hij geen advocaat had kunnen inschakelen. Ook vond hij de inbeslagneming van zijn volledige archief en de inverzekeringstelling van vier dagen volkomen overdreven. Deze nieuwe aflevering van de Nieuwsbrief was voor P.S. Gerbrandy, lid van de Tweede Kamer voor de ARP en net als Gerretson criticus van de Nederlandse Indonesiëpolitiek, aanleiding om in april 1956 vragen over de behandeling van Fabius te stellen aan minister van Justitie J. van Oven.

 

Felle protesten

Deze vragen kwamen op een pijnlijk moment. Juist in deze maanden werd Juliana door het Hofmanskamp ‘onder druk gezet op een wijze die alle staatsrechtelijke grenzen leek te overschrijden’, zo blijkt uit de biografie van Fasseur. Juliana ontbood na ‘doorgevingen’ van Hofmans alle leden van het kabinet om hen te onderhouden over hun beleid van de vier jaar daarvoor. In de ministerraad van 26 maart 1956 waren felle protesten te horen over het gedrag van de koningin, met woorden als ‘wij hebben het gehad’.

Op 13 juni 1956 barstte de bom na onthullingen in het Duitse weekblad Der Spiegel onder de kop ‘Zwischen Königin und Rasputin’, over de spanningen die het Hofmanskamp veroorzaakte tussen Juliana en Bernhard en binnen de monarchie. Een commissie van drie wijze mannen, L.J.M. Beel, A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en P.S. Gerbrandy, de man die Kamervragen had gesteld over de behandeling van Fabius, kreeg opdracht om onderzoek te doen naar de Hofmanskwestie. De commissie-Beel presenteerde op 8 augustus 1956 een geheim rapport, met de conclusie dat de contacten van Greet Hofmans met het hof moesten worden beëindigd en dat de hofhouding moest worden gereorganiseerd. Aldus geschiedde.

En Jan Fabius? Hij zal tevreden gebromd hebben. ‘Ja, kijk eens, iemand moet het zeggen.’

 

(Dit verhaal is eerder gepubliceerd in true crime magazine Koud Bloed (2011, nr. 15)