Oliver Sacks in Amsterdam

In 2002 interviewde ik de vandaag op 82-jarige leeftijd overleden Oliver Sacks over zijn autobiografie voor weekblad Intermediair. Het gesprek kwam wat moeizaam op gang wat eigenaardig.

Deze maand was de Engelse neuroloog Oliver Sacks in Nederland voor de promotie van zijn autobiografie Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd. Sacks, die wereldberoemd is geworden door de beschrijving van intrigerende ziektegeschiedenissen van zijn patiënten, keert in dit boek terug naar het Engeland rondom de Tweede Wereldoorlog. Hij laat zien hoe hij als jongetje gefascineerd raakt door de scheikunde, gevoed door familie, boeken en proeven.

Het jongetje Oliver is inmiddels veranderd in een trekkebenende man van 68, die zijn gezondheid op peil probeert te houden door elke ochtend te beginnen met een zwempartij. Sacks is nog niet te zien in de lobby van het Americain Hotel in Amsterdam op het afgesproken tijdstip. Hij moest hier nog even douchen, vertelt de medewerkster van de uitgeverij, want in het zwembad ging dat niet door een legionella-besmetting. Als Sacks eindelijk arriveert, in een colbert met daaronder een T-shirt met het periodieke systeem der elementen erop, kan het interview nog niet meteen beginnen, want hij is een man van rituelen. De ramen moeten open, want anders krijgt hij het te warm. Als hij eindelijk gaat zitten, staat hij meteen weer op, want er moet thee op tafel komen, met melk wel te verstaan. De verkeersherrie die daardoor binnenkomt, maakt het moeilijk om hem te verstaan, want hij praat erg zacht.

‘Ik ben opgegroeid in een huis vol boeken. Mijn vader zat in zijn grote bibliotheek uren te lezen in de bijbel en in de talmoed met een sigaar in zijn mond; en mijn moeder las heel veel romans en biografieën, ze las mij ook vaak voor. Boeken waren a part of life, ze fascineerden me. Ik heb al heel vroeg leren lezen, volgens mij zonder eerst het alfabet te leren, maar direct via woorden. Of dat mogelijk is, weet ik niet, misschien is het een streek van mijn geheugen. Op mijn vijfde kon ik in elk geval vloeiend lezen. Ik weet nog goed dat ik tegen de onderwijzer op de kleuterschool zei dat ik kon lezen. Die geloofde me niet en zei dat ik loog. Hij haalde een krant en daar las ik wat uit voor. Hij dacht dat het een truc was. Het vreemde is dat ik het gevoel heb dat ik heb leren lezen zonder eerst het alfabet als zodanig te leren.

‘Van heel vroege herinneringen kun je vaak niet zeggen of ze echt zijn of fantasie. Voor het schrijven van dit boek heb ik veel dingen proberen te checken bij mijn vijf jaar oudere broer Michael, en daaruit bleek hoe interessant ons geheugen in elkaar zit. Er is in de oorlog twee keer een bom gevallen bij ons in de straat, allebei onontploft. Mijn eerste beschrijving kon mijn broer bevestigen, maar bij de tweede beschrijving zei hij tot mijn ontzetting dat we die hele bom nooit hebben gezien omdat we toen samen op de kostschool in Braefield zaten. Ik wierp tegen dat ik hem toch duidelijk voor mijn geestesoog zag. Dat verklaarde hij doordat onze broer David ons er een levendige brief over had geschreven, die ik me inderdaad kon herinneren. Maar al weet ik dat Michael gelijk heeft, toch blijft dit een echte herinnering voor me lijken, het is net een scène uit een film. Ik zie alle details en personen helder voor me, alleen het perspectief is eigenaardig. Het is net alsof ik van bovenaf naar het tafereel kijk, zonder dat ik kan zeggen waar ik ben in het geheel. Daaruit blijkt dat het een construct is. In die andere echte herinnering voel ik weer dat lichaam van het kleine jongetje dat daar in zijn dunne pyjama rillend van de kou staat te kijken.

‘Ik heb vaak problemen om uit te maken wat ik gezien of gehoord heb en wanneer het was. Het schrijven van een boek als dit blijft daardoor een romantische onderneming. Ik heb een reconstructie proberen te maken van de invloed die boeken op me gehad hebben, proberen te laten herleven hoe die boeken oorspronkelijk voelden. In feite een onmogelijke opgave, een romantische onderneming met alle vertekeningen, uitvergrotingen en dramatiseringen die daarbij horen. Maar in feite was mijn jongensleven ook zo’n romantische onderneming. Ik probeerde een negentiende-eeuwse scheikundige te zijn halverwege de twintigste eeuw, toen dat soort scheikunde al passé was. Wat ik las waren negentiende-eeuwse oude boeken, vol avontuur en spel, met titels als Chemical Recreations en The Playbook of Metals.

‘Ik vond het ook erg interessant om de originele verslagen van die oude scheikundigen te lezen. Er bestond een serie met herdrukken van boeken van bijvoorbeeld Davy, Faraday en Scheele. En heel fascinerend vond ik ook het proefschrift van Madame Curie, waar mijn moeder een exemplaar van had. Natuurlijk waren sommige van die boeken te moeilijk voor een jongetje. Een kind snapt niets van het werk van Ampère, maar Faraday is makkelijk te lezen door zijn ongedwongen stijl. Hij vertelt wat hij denkt, wat hij doet en waarom, of het lukt of niet, een continu verhaal. Je komt erachter wat er omgaat in zijn hoofd en kan deelnemen aan zijn ontdekkingstocht.

Mijn favoriete boek was The Interpretation of Radium van Frederick Soddy. Ik kwam het tegen toen ik mijn oude boeken ging ophalen in het huis van mijn vader na zijn dood in 1990. Ik herkende het meteen aan de roze verschoten omslag. Toen ik het uit de kast trok, verpulverde het in mijn hand tot stof. Het was net als diverse andere boeken aangetast door een schimmel. Gelukkig heb ik later nog een exemplaar te pakken kunnen krijgen.

‘Geschiedenis van de wetenschap is vaak een bijvak op de universteit, maar voor mij is het een integraal onderdeel van de wetenschap. Ik wil niet beweren dat bèta-studenten het werk van Aristoteles moeten kennen maar lijkt me toch zinnig om de geschiedenis van de natuurkunde te behandelen vanaf Galilei of de scheikunde vanaf Boyle. Toen ik mijn opleiding tot neuroloog volgde vroeg ik of ik ook iets kon leren over de geschiedenis van de neurologie. Ze zeiden: wie is daar nou in geïnteresseerd? Die mensen zijn allemaal dood. Dat is allemaal geweest.

‘Ik ben gevormd in openbare bibliotheken zoals de Willesden Public Library en die van het Science Museum, waar ik altijd ging kijken naar de … van het periodiek systeem. En mijn ooms en ouders waren heel belangrijk. Van school hield ik niet erg. Ik heb nooit goed kunnen stilzitten en opletten. Ik ben ongeduldig, moet kunnen rondlopen. Alleen in het water heb ik dat niet. Ik ben erg aquatisch, ik lees uren in bad. In zekere zin schrijf ik ook tijdens het zwemmen. Het prettigste vind ik zwemmen in een meer. Als ik dan een lang stuk ga zwemmen beginnen zich zinnen te vormen en verhalen. Voor mijn boek Een been om op te staan heb ik een hele paragraaf bij een meer geschreven. Ik had op een gegeven moment zoveel in mijn hoofd zitten dat ik echt het water uitmoest, anders werd het te veel om te herinneren. Ik heb dat toen in één ruk opgeschreven en opgestuurd naar mijn uitgever. Die klaagde dat hij al twintig jaar geen handgeschreven manuscript meer had gekregen en in welke eeuw ik dacht te leven. Hij vroeg zich ook af of ik het manuscript soms in bad had laten vallen, want het zat onder de vlekken.

‘Waar die voorliefde voor water vandaan komt weet ik niet. Het is vermoedelijk een familietrekje. Mijn vader en grootvader zwommen ook altijd. En onze ouders gooiden ons als baby’s al in het water. We konden eerder zwemmen dan lopen. Aan land ben ik altijd onhandig geweest, ik ga op dingen staan of struikel, maar in het water zoef ik. Daar krijg ik een gevoel van mijn fysieke zelf en weet ik precies waar mijn handen en voeten zijn. En tegelijkertijd is er soms een verlies van identiteit, van zelfbewustzijn, een oceanisch gevoel waarin ik één ben met het water.

 

 

 

 

 

 

 

 

De historie van Fuck de Koning

Enkele jaren geleden heb ik voor misdaadmagazine Koud bloed een artikel geschreven over de veroordeling wegens Majesteitsschennis van journalist Jan Fabius. Daarin beschrijf ik ook enkele andere veroordelingen vanwege hetzelfde vergrijp.

In datzelfde nummer verscheen ook mijn artikel over Prins Bernhard, Wegpiraat van Oranje, en de stuurmans/vrouwskunsten van andere leden van het Koninklijk Huis.

Abonnee worden van het prachtblad Koud bloed kan hier.

Peter Nijkamp: nog meer onjuiste beweringen

Na eerdere onjuiste beweringen doet emeritus hoogleraar economie Peter Nijkamp er op de website Retraction Watch nog een schepje bovenop. Hij stuurde de volgende e-mail aan de Amerikaanse scientific misconduct watchers:

1.      Last year various successive anonymous allegations were raised questioning my scientific integrity. (Onjuist. Twee anonieme klachten waren gericht tegen Nijkamps promovenda Karima Kourtit vanwege vermeend (zelf)plagiaat; een derde anonieme klacht tegen Kourtit/Nijkamp en Baycan/Nijkamp betrof vermeende datamanipulatie. Deze drie klachten leidden tot integriteitsonderzoeken. De onderzoekscommissie-Zwemmer, die keek naar (zelf)plagiaat in het gehele oeuvre van Nijkamp, kwam niet tot stand na een klacht en het was ook geen integriteitscommissie.)

2.      The University appointed a few committees to investigate the various anonymous complaints. (Zie boven)

3.      The findings – in various stages – as of the beginning of this year – are:

–       one of the main sources of false information dispersion, Richard Gill (University of Leiden), has been instructed by his University to offer a public apology for scientific misconduct (to be published on his University website). (Onjuist. Gill publiceerde uit vrije wil een verklaring die niet te maken had met ‘scientific misconduct’ van Gill; dit gebeurde niet op last van de universiteit of de lokale integriteitscommissie. Inmiddels is hem gebleken dat zijn verklaring deels was gebaseerd op onjuiste informatie: zie de comments op Retraction Watch, 23 maart 2015, 1.36 PM.)

–       a recent verdict of LOWI (a kind of national court on scientific integrity) has convincingly proclaimed that any accusation of violation of scientific integrity from my side misses any ground. (Onjuist. Deze procedure ging over drie artikelen van Kourtit en Nijkamp was coauteur van slechts een daarvan. Het gebruik van het woord “any” is dus misleidend. Het LOWI is geen rechtbank maar een adviesorgaan.) Moreover, the VU University has been found guilty by treating my case in an improper way, by drawing false conclusions and by violating confidentiality rules. (Het gebruik van het woord “guilty” suggereert ten onrechte dat het LOWI een rechtbank is.)

–      finally, in a recent starement the VU University has also concluded that my publication practice does not jeopardize or violate scientific integrity rules. (Onjuist. De commissie-Zwemmer was geen integriteitscommissie en velt ook geen integriteitsoordeel. De VU bezigt de term ‘integriteit’ daarom ook niet in haar verklaring.)

So, in conclusion, my case is clean and can be closed. (Onjuist. Er loopt nog een onderzoek tegen Kourtit/Nijkamp en Baycan/Nijkamp wegens vermeende datamanipulatie.)

 

 

De gelukwens van Peter Nijkamp

Peter Nijkamp stelt in een interview met universiteitsweekblad Ad Valvas dat de commissie-Zwemmer bij de beoordeling van zijn werk fouten heeft gemaakt. De commissie zou tegen de afspraken in ook veel artikelen mee hebben gewogen die NIET zijn verschenen in tijdschriften met peer review. Dat had Nijkamp eerder ook al tegen NRC Handelsblad beweerd, maar deze krant stelde aan de hand van de niet-geopenbaarde bijlagen van het rapport-Zwemmer (wel in bezit van de NRC) vast dat Nijkamps bewering onjuist is. Ook Zwemmer zelf weersprak Nijkamps bewering in die krant. In het interview in Ad Valvas stelt Nijkamp echter dat “absoluut onjuist” is wat NRC Handelsblad hierover schrijft.

De neutrale lezer wil uiteraard graag weten hoe het nu werkelijk zit. Ad Valvas, dat de bijlagen volgens de VU eveneens bezit, meldt helaas niet of het Nijkamps beweringen ook heeft getoetst. Wel kan een buitenstaander dankzij het universiteitsweekblad nu zelf twee beweringen van Nijkamp controleren. De econoom geeft in het interview namelijk een voorbeeld van een in de bijlagen genoemd tijdschrift dat volgens hem niet peer reviewed zou zijn: het Slowaakse blad Region Direct. De website van Region Direct is hier helder over: Region Direct is peer reviewed scientific journal addressed to scientific papers, discussion papers, information and reviews issues in the context of regional development, regional policy, European integration and related topics.” Deze wat knullige zin roept wel vragen op over het niveau van het blad.

Nijkamp tweede bewering in Ad Valvas is dat het geen serieus artikel betreft, maar slechts een “gelukwens voor een speciaal celebratory issue”. Aan Nijkamps artikel ‘E pluribus unum’ valt echter niets feestelijks te ontdekken. Forse delen ervan zijn overigens zonder verwijzing naar Region Direct hergebruikt in twee hoofdstukken van boeken, die hier en hier te vinden zijn. De commissie-Zwemmer heeft hoofdstukken in boeken niet betrokken in haar onderzoek.

Een e-mail met de vraag of hij zich wellicht heeft vergist met de “gelukwens” voor Region Direct, laat de Spinozaprijswinnaar van 1996 onbeantwoord.

De VU zou de bijlagen van het rapport-Zwemmer alsnog openbaar moeten maken. Er is geen enkele reden om ze geheim te houden ter bescherming van de privacy van de coauteurs. De commissie-Zwemmer was immers geen integriteitscommissie en ging er ook zelf van uit dat het hele rapport openbaar zou worden. Alle artikelen die daarin worden genoemd behoren in alle openheid onderwerp van wetenschappelijke discussie te kunnen zijn.

LOWI-advies over publicatie Kourtit/Nijkamp schept verwarring over definitie plagiaat

Het College van Bestuur van de Vrije Universiteit is in een lastige positie gebracht door een advies van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dat advies lijkt haaks te staan op tot nu toe gangbare regels over plagiaat.

Een VU-commissie onder leiding van emeritus hoogleraar psychologie Pieter Drenth oordeelde dat sprake was van plagiaat in een artikel van Karima Kourtit, Peter Nijkamp, Evelien van Leeuwen en Frank Bruinsma. De auteurs hadden een fors aantal zinsneden overgenomen van andere wetenschappers, zonder aanhalingstekens en zonder verwijzingen naar de herkomst van die zinnen. Wel gaven de auteurs de gebruikte bronnen weer in een lijst aan het eind van het artikel. Kourtit en Nijkamp noemen dit een “collectief referentiesysteem”, dat was gehanteerd vanwege de leesbaarheid. In Trouw zei Nijkamp hierover op 12 maart 2015: “Zo’n artikel waarin steeds maar weer staat welke auteurs het hebben gezegd, dat is niet vol te houden.”

Het beroepsorgaan LOWI oordeelde anders over de zaak dan de commissie-Drenth: “De auteurs hebben niet willen pretenderen dat het om eigen tekst ging.” Het was geen plagiaat vond het LOWI en dus ook geen schending van wetenschappelijke integriteit. Dat het LOWI bij een advies rekening houdt met intenties, is nieuw; in de zaak-Sitskoorn had het LOWI in 2008 juist expliciet verklaard dat het er niet toe doet of iemand “de opzet of de bedoeling had de normen van wetenschappelijke integriteit te schenden met het plegen van plagiaat”. Uitgangspunt is of bronnen wel of niet correct zijn vermeld en daarvoor blijft een wetenschapper altijd verantwoordelijk, goede bedoelingen of niet. Het oordeel over Sitskoorn kwam tot stand onder voorzitterschap van Kees Schuyt, die zich nu had verschoond omdat hij begin 2014 in de NRC uitlatingen had gedaan over de zaak-Kourtit.

Probleem voor de VU is dat de nu door het LOWI goedgekeurde vorm van bronvermelding wordt afgewezen in het VU-onderwijs en in het reglement waarop de commissie-Drenth 2 zich mede baseerde. In de webcursus voor bronvermelding die de VU aanbiedt, staat bijvoorbeeld:

“Wat wordt als plagiaat beschouwd? 

Overduidelijke voorbeelden van plagiaat zijn:

  • Een werkstuk van iemand anders inleveren alsof het je eigen werk is. 
  • Korte of lange stukken tekst uit een bron kopiëren zonder de bron te vermelden. 

Maar ook het onderstaande wordt als plagiaat beschouwd: 

  • Andermans woorden of ideeën ‘lenen’ zonder bronverwijzing.  
  • Een paar veranderingen aanbrengen in een tekst (of grafiek of figuur) en doen alsof je het zelf bedacht hebt.  
  • ‘Vergeten’ om aanhalingstekens te plaatsen bij een letterlijk citaat. 
  • Wel een bronverwijzing geven, maar een onvolledige of incorrecte referentie geven zodat de bron niet te traceren is.  
  • Een bron en de referentie vermelden in je verslag, maar niet op alle plaatsen waar informatie uit de bron gebruikt is (dan wordt een deel van de overgenomen informatie gepresenteerd als eigen werk).  
  • Zoveel woorden of ideeën overnemen uit een bron dat dit het grootste deel van je verslag uitmaakt, geldt als plagiaat – zelfs als je wél naar de bron verwijst!”

Moet het CvB van de VU nu deze webcursus en andere interne richtlijnen laten aanpassen naar aanleiding van het LOWI-advies? Hoeven studenten en wetenschappers (aan de VU, maar ook aan andere universiteiten) voortaan geen aanhalingstekens meer te plaatsen bij letterlijke citaten?

Hoogleraar Erik Verhoef, afdelingshoofd van de afdeling Ruimtelijke Economie van Kourtit/Nijkamp, was verbaasd over het LOWI-advies. Hij had nog nooit gehoord van een “collectief referentiesysteem”, kon deze term met googelen ook niet vinden en vroeg zijn afdelingsgenoten daarom 13 maart 2015 per e-mail of zij hem wijzer konden maken op dit punt. Hij liet weten dat hij nu bij vragen over de aanvaardbaarheid van het collectief referentiesysteem geneigd was om te antwoorden, dat “we would consider it undesirable in works of both colleagues and students”. Met andere woorden: toch maar aanhalingstekens blijven zetten. Verhoef liet zijn collega’s weten dat hij altijd tot discussie bereid was, mocht hij het verkeerd zien.

Enkele maanden geleden publiceerde het LOWI ook al een verwarrend advies over een plagiaatklacht tegen een UvA-hoogleraar. De klaagster, een UvA-docente, vond dit advies zo onbevredigend dat zij het heeft voorgelegd aan de Nationale Ombudsman (oordeel nog niet bekend). Zij vreest dat dit eerdere LOWI-advies tot een onwerkbare situatie leidt aan haar universiteit, met name in het onderwijs aan studenten.

Twee op plagiaat betrapte UvA-studenten hebben dat LOWI-advies aangegrepen om bij de Commissie van Beroep voor de Examens bezwaar aan te tekenen tegen de sanctie die aan hen is opgelegd. Zij menen dat er sprake is van ongelijke behandeling. Ook dit advies kwam tot stand zonder voorzitter Schuyt, die zich in deze zaak eveneens had verschoond.

Een LOWI-advies is niet bindend. Een College van Bestuur kan het na kennisname terzijde schuiven en naar eigen inzicht een definitief besluit nemen over een integriteitszaak.

 

 

Reiswijzer door de zaak-Kourtit, de zaak-Nijkamp, de zaak-Kourtit/Nijkamp en de zaak-Baycan-Nijkamp

Deze week zijn diverse berichten verschenen over een LOWI-advies in de zaak-Kourtit/Nijkamp (zie onder meer het bericht van de NOS en van de Volkskrant). In die berichten worden verschillende procedures door elkaar gehaald en ontstaat de indruk dat Peter Nijkamp de man is om wie alles draait in dat LOWI-advies. Dat is onjuist.

Dat de NOS en de Volkskrant het spoor even bijster zijn geraakt (inclusief de ombudsvrouw van de krant), is begrijpelijk want zonder gids verdwaal je al snel in de jungle van procedures. Ik heb de zaken daarom nog eens op een rijtje gezet:

De affaire begon in mei 2013 met een anonieme klacht van NN over het proefschrift van Karima Kourtit (beoogd promotor Peter Nijkamp). Deze klacht betrof PLAGIAAT. Omdat NN ook een zijdelingse opmerking maakte over recyclen van eerder gebruikte tekst, vroeg de Ombudsman NN om ook hier een overzicht van te geven. Mogelijk was hier sprake van ZELFPLAGIAAT, stelde de ombudsman. De commissie-Drenth van de VU stelde vast dat er inderdaad sprake was van plagiaat en Kourtit kreeg de gelegenheid haar proefschrift te herschrijven. Deze zaak-Kourtit (die over bronvermeldingen gaat) had ook consequenties voor Peter Nijkamp: hij trad terug als promotor.

De commissie-Drenth had ook kritiek op de manier waarop eerder gepubliceerd eigen werk werd gebruikt in het proefschrift van Kourtit. De conclusies van de commissie-Drenth over deze “zelfcitaties” in hoofdstukken waarvan Peter Nijkamp co-auteur was, brachten het College van Bestuur van de VU tot het besluit om het gehele oeuvre van Nijkamp te onderzoeken op “(zelf)plagiaat”. Het CvB van de VU had op dat moment al kennisgenomen van de resultaten van onderzoek van NRC Handelsblad naar het hergebruik zonder bronvermelding van teksten in werk van Nijkamp (solo, met Kourtit en met andere co-auteurs). Dit was commissie nummer 2, de commissie-Zwemmer, die naar verwachting volgende week verslag doet van haar bevindingen. Naast de zaak-Kourtit was er nu ook een zaak-Nijkamp (eveneens over bronvermeldingen dus).

In november 2013 diende NN een tweede klacht in over vermeend PLAGIAAT in zestien andere publicaties van Kourtit (grotendeels met als co-auteur Peter Nijkamp). Dit leidde tot de instelling van een derde commissie, Drenth-2. Deze commissie oordeelde in juni 2014 dat in drie publicaties (een met als co-auteurs Peter Nijkamp, Evelien  van Leeuwen en Frank Bruinsma (publicatie 1); een met als co-auteur André de Waal (publicatie 2), en een van Kourtit solo (publicatie 3) sprake was van plagiaat. Tegen dit oordeel gingen Kourtit en Nijkamp in het beroep bij het LOWI; de andere co-auteurs zagen af van het beroep en het LOWI hoorde hen ook niet. Het LOWI oordeelde vorige maand in tegenstelling tot Drenth-2 dat bij publicatie 1 (met Nijkamp als co-auteur) geen sprake was van plagiaat of (verwijtbare) onzorgvuldigheid. Bij publicatie 2 en 3 ging het LOWI eveneens niet mee in het oordeel van Drenth-2 dat het hier plagiaat betrof, maar vond dat er wel sprake was van “verwijtbare onzorgvuldigheid”. In geen van de gevallen ging het volgens het LOWI om schendingen van wetenschappelijke integriteit. Bij de beoordeling van publicatie 1 hanteerde het LOWI een interessante redenering, die ingrijpende gevolgen zou kunnen hebben voor de regelgeving over omgang met bronnen door Nederlandse studenten en wetenschappers (hier zal ik later een apart blog aan wijden). Het werk van de onderzoekscommissie Drenth-2 was dus in de eerste plaats het vervolg van de zaak-Kourtit, en NIET van de zaak-Nijkamp zoals de berichtgeving van NOS en de Volkskrant suggereerde.

In juni 2014 diende NN een derde klacht in bij de ombudsman van de VU. Deze ging niet over bronvermeldingen maar over mogelijke datamanipulatie in acht artikelen van Kourtit/Nijkamp en zeven artikelen van de Turkse wetenschapster Tüzin Baycan en Nijkamp (en nog andere co-auteurs). Deze klacht is doorgeleid naar een vierde commissie, de per 1 juli 2014 ingestelde Commissie Wetenschappelijke Integriteit VU-VUmc, die ook nog rapport moet uitbrengen. In deze vierde procedure is er dus sprake van een zaak-Kourtit/Nijkamp en een zaak Baycan/Nijkamp.

Tussenstand:

– De commissie-Drenth 1 stelde plagiaat vast in het al goedgekeurde proefschrift van Karima Kourtit. Nijkamp trok zich daarna terug als promotor op advies van de commissie-Drenth. Met een nieuwe promotor is Kourtit op 25 juni 2014 alsnog gepromoveerd op een sterk gewijzigd proefschrift. (onderwerp: bronvermeldingen)

– De redactie van het tijdschrift Review of Economic Analysis trok twee artikelen terug vanwege ZELFPLAGIAAT, een van Kourtit/Nijkamp en co-auteur Frank Bruinsma; een van Nijkamp solo). (onderwerp: bronvermeldingen)

– De commissie-Zwemmer doet naar verwachting volgende week verslag van haar bevindingen in de zaak-Nijkamp. (onderwerp: bronvermeldingen)

Much Ado About Nothing

De economen Peter Nijkamp en Karima Kourtit van de Vrije Universiteit hebben bij de commissie wetenschappelijke integriteit van de Universiteit Leiden een klacht ingediend tegen hoogleraar statistiek Richard Gill. Dat blijkt uit deze verklaring op de website van Gill.

Gill legt op zijn website uit wat er aan de hand was:

“June 2014 I publicised an anonymous report prepared by a whistleblower at the Free University, Amsterdam. The report criticised the content of the PhD thesis of Karima Kourtit (promotor: prof. Peter Nijkamp), as well as half a dozen published papers by Kourtit and Nijkamp, and another half a dozen by Baycan and Nijkamp. This action led to a complaint by Dr Kourtit and Prof Nijkamp to Leiden University, which was handled by Leiden’s “Committee on Scientific Integrity” (CWI). After several hearings including one where all parties were present together, a “verklaring” (declaration) was drawn up, which all parties could agree to, and whereby the conflict between Kourtit and Nijkamp on the one hand, and myself on the other hand, is considered by all parties to be settled. I am very grateful to the CWI for their patient and careful work. 

The “verklaring” was subsequently approved by the board of Leiden University, and is hereby (17 February, 2015) made available on this homepage.”

Dat noemen wij in Amsterdam Much Ado About Nothing.

Een interessanter kwestie is waarom de ruwe data die Gill had opgevraagd bij Nijkamp en Kourtit nog altijd niet ter beschikking zijn gesteld, terwijl openbaarmaking daarvan al in juni 2014 werd aangekondigd door Kourtits promotor Henk Scholten.

En waar blijft het oordeel van de integriteitscommissie van de VU die zich vanaf juni 2014 over de fraudebeschuldigingen in het genoemde anonieme rapport heeft gebogen? En waar blijven de rapporten van de commissie-Drenth 2 (vermeend plagiaat in eerste proefschrift Kourtit) en van de commissie-Zwemmer (vermeldingen van bronnen in het volledige werk van Nijkamp)?

 

Het formaat van Peter Nijkamp

Gisteren ontvingen de medewerkers van de afdeling Ruimtelijke Economie van de Vrije Universiteit een apetrots persbericht van de afdelingssecretaresse. Ze stuurde het in cc ook naar rector magnificus Frank van der Duyn Schouten en voorzitter van het College van Bestuur Jaap Winter. Het heuglijke nieuws waar zelfs deze notabelen van op de hoogte moesten worden gesteld was dat hoogleraar Ruimtelijke Economie Peter Nijkamp een eredoctoraat had gekregen van een Poolse Universiteit:

OPNIEUW EEN EREDOCTORAAT VOOR PETER NIJKAMP

De glanzende carriere van VU topeconoom Peter Nijkamp is op maandag 19 januari jl. nog eens extra bevestigd door de toekenning van een eredoctoraat door de gerenommeerde universiteit van Poznan in Polen. Hij kreeg deze hoge onderscheiding voor zijn toonaangevend en baanbrekend onderzoek op het terrein van de regionale economie alsmede voor zijn wereldwijd leidende rol in het mobiliseren van wetenschappers en jonge onderzoekers in een interdisciplinaire context. Hij deelt deze eervolle onderscheiding met beroemde en gezaghebbende personen als Marie Curie, Gunter Grass, Paul Erdos, Javier Solana, Paus Johannes Paulus II, en Al Gore.
Dit eredoctoraat is reeds Nijkamp’s vijfde eredoctoraat. Reeds eerder werd hij benoemd tot doctor honoris causa aan de universiteiten van Brussel, Athene, Bucharest, en Faro.
Nijkamp staat onbetwist op de eerste plaats in de wereldranglijst van zo’n 40.000 economen qua productie van wetenschappelijke bijdragen. Hij behoort – gemeten in termen van citaties – tot de 13 meest invloedrijke economen ter wereld, te midden van vele Nobelprijswinnaars. Deze toppositie is des te opmerkelijker, omdat Nijkamp actief is op een relatief klein en gespecialiseerd onderzoekgebied, de ruimtelijke economie.
Zijn tomeloze werkdrift en zijn alom geroemd organisatievermogen hebben hem tot de absolute topper op zijn vakgebied gemaakt. Zo was hij in staat in het jaar 2014 meer dan 50 artikelen te publiceren, vaak in gerenommeerde internationale tijdschriften.
Het was nieuw voor mij dat Nijkamp qua citaties behoort “tot de 13 meest invloedrijke economen ter wereld, te midden van vele Nobelprijswinnaars”. Het getal 13 kwam mij wel bekend voor, namelijk van deze ranking op de site repec.org. Deze lijst heeft echter geen betrekking op citaties, maar is een gemiddelde van diverse maten. Uit de lijst is eenvoudig af te lezen dat Nijkamp qua citaties helemaal niet zo invloedrijk is, laat staan in één adem genoemd kan worden met Nobelprijswinnaars. Zijn 13de plaats in de overall ranking heeft hij te danken aan zijn grote aantal publicaties. Daarmee is hij inderdaad “onbetwist” nummer één in de wereld. Maar uit het aantal citaties blijkt dat collega’s het niet zo vaak de moeite waard vinden om in voetnoten te verwijzen naar Nijkamps bijdragen aan de wetenschap. Hij staat, afhankelijk van het type citatie-telling, op plekken variërend van 529 tot 2607.
VU-hoogleraar Algemene Economie Pieter Gautier maakte deze zomer in universiteitsweekblad Ad Valvas al duidelijk dat Nijkamp in zijn ogen beslist niet uit Nobelprijshout is gesneden: http://www.advalvas.vu.nl/nieuws/vu-hoogleraar-uit-harde-kritiek-op-werk-peter-nijkamp?page=1
Het persbericht bevat dus pijnlijk misplaatste opschepperij over Nijkamps formaat. Wie heeft het eigenlijk geschreven?
Een woordvoerder van de VU laat desgevraagd weten:
“De inhoud van het bericht waar je naar verwijst is afkomstig van Peter Nijkamp. Het College van Bestuur (en ikzelf) waren niet op de hoogte van de inhoud en/of de verzending van dit bericht. De inhoud ervan is volledig voor rekening van dhr. Nijkamp.”
Nijkamp en de afdelingssecretaresse laten een e-mail met de vraag of het persbericht gerectificeerd gaat worden, vooralsnog onbeantwoord.
PS:
Het Poolse ANP maakt het in een persbericht nog gortiger. Mijn Pools is voor verbetering vatbaar, maar ik meen hierin met hulp van Google Translate te lezen dat Peter Nijkamp op onze planeet behoort tot de 50 meest geciteerde wetenschappers (dus niet alleen economen).

Van Blairgate naar Trouwgate

De affaire rond de wegens verzinsels ontslagen Trouw-redacteur roept herinneringen op aan de Amerikaanse journalist Jayson Blair. Naar aanleiding van (onder meer) die zaak schreef ik in 2003 een groot stuk over liegen voor weekblad Intermediair.

De pdf staat hier: LiegenIMHerpublicatie

De zaak herinnert ook aan de affaire rond Jan Haerynck. Daarover schreef ik in het fantastennummer van misdaadmagazine Koud bloed dit artikel: BroodjeHaerynck

Beroep tegen oordeel over tweede plagiaatklacht in zaak-Kourtit

Bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) is beroep aangetekend tegen de bevindingen van de commissie-Drenth 2. Deze commissie heeft een klacht onderzocht van een anonieme klager over vermeend plagiaat in zestien artikelen van VU-econome Karima Kourtit (bij vijftien daarvan is Peter Nijkamp co-auteur). De klacht staat hier op p. 68 e.v. Het College van Bestuur van de VU heeft zich in juni 2014 achter de conclusies van Drenth 2 geschaard.

De Vrije Universiteit wil desgevraagd niet zeggen wie er in beroep is gegaan. Volgens een woordvoerster kunnen alleen klager(s) en/of beklaagde(n) in beroep gaan in dit soort zaken.

De anonieme klager laat weten door de VU niet op de hoogte te zijn gesteld van de inhoud van het advies van de commissie-Drenth 2. NN zegt daardoor ook geen beroep te hebben kunnen overwegen. Volgens de klachtenregeling die gold bij het indienen van de klacht in november 2013 behoren klager en beklaagde beiden te worden geïnformeerd. Op 1 juli 2014 heeft de VU een nieuw reglement ingevoerd waarbij anoniem klagen niet meer mogelijk is.

De VU zal pas na afloop van de beroepsprocedure bij het LOWI definitief besluiten of de plagiaatklacht gegrond is. Dan zal ook een samenvatting van het advies van Drenth 2 verschijnen op de website van de VSNU.