De Venus van Willendorf is zo naakt nog niet

De Venus van Willendorf
Foto Matthias Kabel/Wikipedia

 

Facebook is weer eens in het nieuws met doorgeslagen censuurbeleid. De sociaalnetwerksite verwijderde een foto van de Venus van Willendorf vanwege de vermeende onbetamelijkheid van dit beeld. Onderzoek van de Amerikaanse archeologe Olga Soffer wijst uit dat Venus meer aan heeft dan het lijkt.

Ze is de meest besproken vrouw uit de archeologie. Generaties wetenschappers hebben getuurd naar haar kolossale borsten en billen, in een poging haar geheimen te doorgronden. Waarom heeft zij geen gezicht, geen tepels, geen voeten? De Venus van Willendorf, een lemen beeldje van 12 cm hoog, is de fantasie blijven prikkelen sinds zij in 1908 werd opgegraven in het Oostenrijkse plaatsje waarnaar zij vernoemd is. De meest uiteenlopende verklaringen zijn op tafel gekomen voor dit 25.000 jaar oude object: van vruchtbaarheidssymbool tot erotisch attribuut of speelgoed voor Steentijdkinderen.

In 2004 in het tijdschrift  Current Anthropology  gepubliceerd onderzoek wees uit dat iedereen zich zo heeft laten verblinden door haar opvallende naaktheid dat er al die jaren iets wezenlijks over het hoofd is gezien. ‘Er is nooit goed gekeken naar de delen die wél bedekt zijn’, zegt Olga Soffer, hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Illinois. ‘De zeven concentrische ringen op haar hoofd zijn altijd beschouwd als een artistiek of erotisch kapsel uit het paleolithicum, maar dat is het niet. Het is een muts, geweven van plantaardige vezels.’ Een revolutionaire stelling, want volgens de heersende opvattingen over de oudere Steentijd liepen vrouwen toen rond in stinkende dierenvellen en was de weefkunst nog helemaal niet bekend. Mannelijke jagers maakten de dienst uit met hun vuistbijlen, stenen pijlen en speren waarmee ze rendieren en mammoeten te lijf gingen.

Olga Soffer en haar collega’s James Adovasio en David Hyland van Mercyhurst College in Pennsylvania begonnen te vermoeden dat dit paradigma over het Paleolithicum aan herziening toe was. Bij opgravingen in Moravië ontdekten ze in kleine stukjes gebakken klei merkwaardige indrukken. Uit microscopisch onderzoek van deze patronen leidden ze af dat ze afkomstig moesten zijn van kleding, touw, netten en manden van plantaardig materiaal, dat lang geleden vergaan was. De indrukken waren soms zo scherp dat ze konden analyseren welk soort knoop er was gebruikt bij het vervaardigen van het textiel. De Amerikanen bestudeerden vervolgens duizenden stukjes klei, afkomstig van opgravingen in Frankrijk, Duitsland en Rusland en troffen daar vergelijkbare afdrukken aan. Dat sterkte hen in de overtuiging dat de ‘vezelrevolutie’ (string revolution), zoals hun collega Elizabeth Barber die heeft gedoopt, veel eerder heeft plaatsgevonden dan tot nu toe gedacht werd. ‘We vonden het wat zwak om bij zo’n revolutionaire claim alleen aan te komen met indirecte bewijzen’, vertelt Soffer. ‘We bedachten toen dat er misschien ook iconografische bewijzen waren, omdat mensen ook in de prehistorie al geneigd waren om de vaardigheden en activiteiten die ze waardevol vonden, in beelden vast te leggen.’ Zo kwamen de onderzoekers uit bij de beeldjes die zijn gevonden op plaatsen waar in het Paleolithicum mensen woonden. De eerste daarvan, een ivoren beeldje van 8 centimeter zonder hoofd, handen en voeten, werd in 1860 opgegraven in de Franse Dordogne. De vinder doopte het ‘onzedige Venus’, om haar te onderscheiden van de ranke klassieke Venus, die haar geslachtsdelen kuis bedekt houdt. Later werden (stukken van) dergelijke Venusbeeldjes ook in andere delen van Europa en Azië gevonden. Soffer heeft met haar collega’s alle musea bezocht waar ze worden bewaard, van Moskou en St. Petersburg tot Wenen en Parijs, om er met een frisse blik naar te kijken onder de microscoop. ‘En toen zagen we dat al die versieringen die tot nu toe in de literatuur zijn bestempeld als tatoeages of kapsels in feite kledingstukken waren. We zagen ineens riemen, armbanden, hoofddeksels, netrokjes en dunne strippen om de romp, een soort beha’s zonder cups. We zijn al die jaren ziende blind geweest.’

Soffer, die voor ze antropologe werd in de modewereld werkte, vergelijkt sommige textielwerken met de linnen creaties van Calvin Klein of Donna Karan en trekt parallellen tussen de muts van de Venus van Willendorf en Jamaicaanse reggaepetten. Het ‘haarnet’ van de Venus van Brassempouy ziet ze terug in de hoofddoekjes (baboesjka’s) van Russische boerinnen of van Amerikaanse Amish-vrouwen. Ze roemt de precisie waarmee de details van deze kledingstukken zijn aangebracht op de Venusbeeldjes. ‘Bij het netrokje van de Venus van Lespugue kun je de draairichting van de vezels heel precies volgen. Daar is veel meer aandacht aan besteed dan aan de lichamelijke details. De identiteit van de uitgebeelde vrouwen doet er helemaal niet toe, daarom hebben ze ook geen herkenbare gezichten. De mensen uit de IJstijd hebben met de Venusbeeldjes voor alles hun weeftechnieken willen etaleren in steen, ivoor of bot. En daar waren ze zo te zien al duizenden jaren bedreven in. Wij denken dan ook dat de weefkunst minstens 40.000 jaar oud is.’

Volgens Soffer is de indeling van de menselijke prehistorie in steen-, brons- en ijzertijd daarom maar voor een deel adequaat. De ontdekking van de weefkunst (touwdraaien) moet een enorme omslag hebben veroorzaakt in het leven van deze steentijdmensen. Ze konden daardoor ineens lichtgewicht manden maken om voedsel in te bewaren, zware voorwerpen verplaatsen met touwen en vlotten bouwen van elkaar geknoopt hout. Vrouwen konden draagzakken maken voor baby’s, waardoor ze hun handen vrij hadden voor andere zaken. ‘Dat alles had ingrijpende gevolgen voor de arbeidsverdeling, want dat betekende dat er niet alleen meer volwassen mannen op pad hoefden te worden gestuurd om op groot wild te jagen. Vrouwen konden zich nu ook nuttig maken voor de jacht door het knopen van netten, bijvoorbeeld van brandnetels, en door deze samen met kinderen uit te zetten voor het vangen van vis en klein wild.’

Soffer denkt dat weven en mandenmaken een vrouwenzaak was in het Paleolithicum, mede omdat de iconografie zo duidelijk met vrouwen verbonden is. Er zijn uit die periode ook geen mannenbeeldjes bekend met kleding. ‘Bovendien leert de iconografie ons dat weven in alle maatschappijtypen sterk verbonden is met vrouwenwerk, tenminste zolang weven wordt ingezet voor huishoudelijke behoeften en consumptie. Mannen komen pas in beeld als er handelsartikelen voor de markt geproduceerd gaan worden.’

Soffer betwijfelt ook of beeldhouwen een mannenactiviteit was in het paleolithicum, zoals altijd is aangenomen. ‘Misschien was dat niet altijd zo. Aan sommige Venusbeeldjes kun je duidelijk zien dat de beeldhouwer goed op de hoogte moet zijn geweest van de finesses van de weefkunst. Dat betekent dat die persoon of zelf een wever moet zijn geweest of zich uitgebreid moet hebben laten adviseren. Maar dit zijn speculaties, die je alleen kunt toetsen als je een tijdmachine zou hebben.’

Soffer denkt niet dat de Venusdracht alledaagse kleding was. ‘Misschien was het rituele kleding. Op christelijke iconografie staan heiligen ook altijd met een halo afgebeeld, maar daar liepen ze ook niet mee rond. Het is ook helemaal niet gezegd dat vrouwen geen dierenhuiden droegen. In koude maanden zal dat best behaaglijk geweest zijn, maar ook hier spelen de stereotypen ons parten. We denken bij het woord IJstijd aan felle kou, sneeuw en ijs, maar het was in de gebieden waar we deze voorwerpen hebben gevonden ook wel eens zomer en dan liepen die mensen echt niet in warme huiden rond.’

Volgens Soffer moeten archeologen zich realiseren dat ons beeld van het Paleolithicum gebaseerd is op hooguit vijf procent van de materialen die de mensen toen gebruikten. ‘We hebben alleen gekeken naar de activiteiten van mannen tussen de 15 en 35 jaar, de jagers, omdat die duurzame voorwerpen gebruikten. Daarmee zijn we voorbijgegaan aan jongens en meisjes die nog te jong waren voor de jacht, de ouderen en de vrouwen. De onzichtbare meerderheid heeft gebruik gemaakt van materialen die de millennia niet overleefd hebben. Uit later tijden hebben we wel goed geconserveerde overblijfselen en dan zie je hoe belangrijk die vergankelijke artefacten zijn. We zullen terugwintechnieken moeten ontwikkelen om ook meer te weten over plantaardige materialen uit het Paleolithicum.’ Ze denkt bijvoorbeeld aan het analyseren van grond van paleolithisch nederzettingen met behulp van flotatie, een techniek waarbij allerlei plantaardige materialen zoals zaden en houtskool komen bovendrijven.

Ook verwacht Soffer veel van een heranalyse van de bestaande prehistorische collecties in musea. ‘Een enorme klus. Maar als we die helemaal opnieuw doorploegen kunnen we veel te weten komen over de gereedschappen waarmee deze vrouwen kleding weefden en manden maakten. Ik ben ervan overtuigd dat allerlei stukjes bot en ivoor geïnterpreteerd zijn als jachtattributen, terwijl ze dat helemaal niet zijn. Ik heb al wat voorwerk gedaan en dat was veelbelovend. Er zijn bijvoorbeeld op diverse plaatsen ivoren naalden gevonden die de traditioneel beschouwd worden als naalden om dierenhuiden mee te stikken. Ik heb enkele daarvan eens wat beter bekeken en kwam tot de conclusie dat ze veel te klein zijn voor zulk zwaar stikwerk. Als we andere vragen gaan stellen aan het materiaal, komen de antwoorden vanzelf. De data spreken nooit voor zichzelf in de wetenschap.’

(Dit verhaal is eerder gepubliceerd in weekblad Intermediair – 2004)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Halbe & Co: fantasten in de politiek

(foto ministerie van Buitenlandse Zaken)

 

Minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra verzon dat hij in 2006 in de datsja van Vladimir Poetin was. Twee staatssecretarissen en diverse politici gingen hem voor met pijnlijke verzinsels. Een overzicht.

Voorbeelden genoeg van politici die een smet op hun cv vergeefs proberen weg te poetsen. LPF-lid Philomena Bijlhout kon in 2002 na enkele uren inrukken als staatssecretaris omdat ze was ‘vergeten’ dat zij ook na de Decembermoorden van 1982 nog lid was geweest van de burgermilities van het regime-Bouterse. En Rita ‘Trots op Nederland’ Verdonk erkende pas dat ze als student lid was geweest van de linkse PSP toen het bewijs in 2008 opdook in de archieven.

Van een heel andere categorie zijn politici die hun cv oppoetsen met verzinsels. VVD-staatssecretaris Charles Schwietert kon in 1982 na drie dagen zijn biezen pakken toen bleek dat hij helemaal geen doctorandus was, zoals hij zelf beweerde, en ook geen luitenant was geweest in het leger maar slechts korporaal. In 1994 promoveerde Schwietert tot doctor aan de Amerikaanse Hawthorne University, maar dit was volgens hoger onderwijsorganisatie Nuffic geen erkende universiteit. Schwietert leverde zijn doctorstitel weer in toen hij ook nog eens werd beschuldigd van het gebruik van een vervalste doctorandusbul bij zijn toelating voor Hawthorne. Hij sloeg terug met een boek over (onterechte) imagobeschadiging en -herstel.

Partij voor de Vrijheid-lid Mellony van Hemert verdrong Schwietert in 2009 van kop op de lijst van politieke cv-fantasten toen bleek dat zij niet was gepromoveerd. De PVV probeerde de ophef aanvankelijk te sussen met de mededeling dat Van Hemert door ziekte niet had kunnen controleren hoe zij werd gepresenteerd op de kieslijst. Zij moest zich ‘om medische redenen’ alsnog terugtrekken als kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen toen ook nog eens bleek dat zij in 2009 onder het pseudoniem Tischa van Oord een boek vol verzinsels had geschreven, onder de titel Mijn familie. Wat geheim moest blijven over de zaak-Nulde. Daarin vertelde ze hoe ze als kind slachtoffer was geworden van seksueel misbruik en mishandeling door familieleden, met als meest memorabele zin: ‘Lezers zullen zich wellicht betrappen op de gedachte: dit is zo schokkend, dit kan toch niet waar zijn?’

Misschien had psychiater Cailin Kuijt van de lijst van Bij1 (de partij waarmee Sylvana Simons dit voorjaar meedoet aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen) haar licht over deze kwestie kunnen laten schijnen. Ware het niet dat zij nooit bleek te zijn geregistreerd als psychiater. Nadat hierover ophef ontstond trok Kuit zich terug met een schimmig verhaal.

Het valt allemaal in het niet bij de capriolen van Halbe Zijlstra, de eerste Nederlandse politicus die de wereldpers (waaronder de Washington Post) haalde met een verzinsel en zichzelf toch geloofwaardig bleef vinden.

[delen van dit artikel verschenen eerder in true crime magazine Koud bloed (nr 9)]

Veroordeeld voor majesteitsschennis: de zaak-Fabius

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over afschaffing van het verbod op majesteitsschennis. Geruchtmakend was in 1954 de rechtszaak wegens majesteitsschennis tegen Jan Fabius. Hij was de eerste journalist die openlijk kritiek durfde te hebben op de ongewenste invloed van gebedsgenezeres Greet Hofmans op koningin Juliana. Fabius werd na huiszoeking vier dagen vastgezet voor verhoor en veroordeeld tot tien dagen cel. Een reconstructie.

Journalist Jan Fabius (1888-1964) wist niet wat hem overkwam toen hij op zaterdagochtend 2 oktober 1954 om 8 uur ’s ochtends uit zijn bed werd getrommeld door een dozijn politieagenten onder leiding van een rechter-commissaris, met in hun kielzog een officier van justitie en een politiecommissaris. Het gezelschap volgde hem tot in zijn slaapkamer, alsof de 67-jarige elk moment op de vlucht kon slaan. Bij de huiszoeking die volgde werden al zijn persoonlijke en werkpapieren in beslag genomen, evenals de kaartenbakken met abonnees van het periodiek de Nieuwsbrief waarvan hij hoofdredacteur was. Fabius kreeg niet de gelegenheid om een advocaat te bellen en werd meegenomen naar het politiebureau voor verhoor. Daar werd hij vier dagen vastgehouden.

Hij kreeg te horen dat hij werd verdacht van majesteitsschennis in het laatste nummer van de Nieuwsbrief. Dat bevatte een artikel onder de kop ‘Het “neen” van de Koning’ over de Troonrede die koningin Juliana had voorgelezen op Prinsjesdag op 21 september 1954. Fabius ‘bekende’ meteen dat hij de auteur was van dat artikel, waarin hij inging op de mogelijkheden van de koningin om mee te beslissen over de inhoud van de Troonrede. De overtuigd aanhanger van de monarchie had zich eraan gestoord dat in de Troonrede een wetsontwerp was aangekondigd over de opheffing van het zogenaamde Uniestatuut tussen Nederland en de Verenigde Staten van Indonesië, de Nederlandse tegenhanger van het Britse Gemenebest.

Fabius vond dit plan ongrondwettig en was van mening dat Juliana ‘hier wel degelijk een woord kan meespreken en de macht heeft te voorkomen, dat er dingen gezegd worden, die Haar in conflict brengen met de door Haar op de grondwet afgelegde eed’. Hij noemde de opheffing van het Uniestatuut niet alleen een ‘juridisch monstrum’, maar ook ‘volkomen immoreel’, omdat dat ‘de rechten van de minderheden negeert, een revolutionaire daad sanctioneert en de Ambonezen van hun wettige, door de Koningin zelf bekrachtigde situatie berooft. […] Zij had hier “neen” kunnen en moeten zeggen.’

 

Gevoelige snaar

Fabius sloot zijn artikel af met een zin die hem duur zou komen te staan, omdat hij geen idee had welke gevoelige snaar hij daarmee raakte: ‘Tenzij dan, dat H.M. door Hare drukke werkzaamheden als het ontvangen van ouden van dagen, het bijwonen van concourses hippiques en congressen, het openen van scholen voor zwakzinnige kinderen enz. enz. geen tijd meer heeft om zich aan staatszaken te wijden en rustig tot bezinning te komen, waardoor alle belangrijke kwesties overgelaten worden aan de dames Tellegen, Tjeenk Willink en Hofmans.’

Hij had het over Marie Anne Tellegen, directeur van het kabinet der Koningin, Martina Tjeenk Willink, vriendin van de koningin, en vooral over Greet Hofmans, de vrouw die Juliana in 1948 had ingeschakeld om de oogafwijking van prinses Marijke (Christina) te behandelen. Dat was geen succes maar Juliana raakte daarna zeer onder de indruk van haar occultisme en pacifistische opvattingen. Zij hechtte grote waarde aan de ‘doorgevingen’ die Hofmans kreeg over allerlei zaken. Dat dit tot steeds grotere spanningen leidde tussen Juliana en prins Bernhard was geen geheim in de hoogste politieke kringen. Minister-president Drees toonde zich al in 1951 in de ministerraad bezorgd dat Hofmans ook politieke invloed probeerde uit te oefenen ‘en als een Raspoetinfiguur wordt aangeduid’.

In 1952, kort na Juliana’s staatsbezoek aan de VS, wilde de Amerikaanse journalist Daniel L. Schorr in Life een artikel wijden aan het paleis- en huwelijksconflict, maar dat wist de regering te voorkomen, waarvoor hij in 1955 beloond werd met een lintje. De Nederlandse pers, voor zover ingewijd, zweeg discreet.

Dat Fabius nu in de Nieuwsbrief openlijk refereerde aan de invloed van Hofmans en haar aanhang binnen de hofhouding, was tegen het zere been. Welke acties leidden tot zijn arrestatie, en of Juliana daar zelf een rol bij speelde, is niet bekend. Historicus Cees Fasseur deed de zaak-Fabius in zijn standaardwerk over de Hofmansaffaire, Juliana en Bernhard, af met één zin. In het archief van de christelijke historicus en politicus F.C. Gerretson, die net als Fabius zeer kritisch was over de naoorlogse Indonesiëpolitiek, vond ik in 2011 een map over de zaak-Fabius die meer licht werpt op de zaak. Fasseur raadpleegde dit archief volgens zijn bronnen niet, mogelijk omdat de bewuste archiefmap verkeerd was opgeborgen in het Nationaal Archief.

 

Gewoon misdadiger

In oktober 1955 moest Fabius voor de Haagse rechtbank verschijnen. Zijn advocaat beklaagde zich erover dat Fabius ‘vier dagen werd vastgehouden als een gewoon misdadiger’ en was vrijgelaten op voorwaarde dat hij niet over de zaak zou schrijven en met niemand over zijn behandeling zou spreken. Ook vond de advocaat het onthutsend dat er zelfs een psychiatrisch rapport over Fabius was opgesteld door de Haagse zenuwarts Machiel Zeegers , ‘blijkbaar met de bedoeling de heer Fabius ontoerekeningsvatbaar te verklaren’.

De officier van justitie eiste een boete van 500 gulden of een maand hechtenis en vier maanden voorwaardelijke gevangenis met een proeftijd van liefst drie jaar. De rechter veroordeelde Fabius uiteindelijk tot tien dagen cel. Hij ging in hoger beroep maar verloor.

Met die tien dagen kwam Fabius er nog genadig af getuige eerdere veroordelingen voor majesteitsschennis die zijn advocaat in zijn pleidooi noemde.

In 1896 kreeg Louis Hermans, redacteur van het socialistische blad De Roode Duivel, zes maanden cel vanwege een kwetsende prent. Daarop staan koningin Wilhelmina en regentes Emma afgebeeld als balletdanseressen op een wagen die wordt voortgetrokken door ezels bereden door mannen verkleed als rechters en geestelijken, met als bijschrift ‘Gaat dat zien!’ [De advocaat vergist zich in zijn pleidooi en beschrijft een andere prent waarop Wilhelmina belastinggelden incasseert, FvK]

Fabius’ advocaat memoreerde ook een veroordeling in hetzelfde jaar van een man die op een fluitje had geblazen bij het passeren van Emma en Wilhelmina in een open ruituig. De fluitist kreeg drie maanden cel en zijn fluit werd vernietigd (wat is er gebeurd met de waxinelichthouder die Erwin Lensink in 2010 gooide naar de Gouden Koets?). Een vrouw die in 1943 over Wilhelmina had gezegd ‘Onze koningin, dat rotterige wijf, is dat ook een moeder voor haar kinderen?’ kreeg zes maanden cel in 1946 (nadat Wilhelmina uit Londen was teruggekeerd en haar kinderen uit Canada).

 

Schikgodinnen

Fabius bleef woedend over zijn veroordeling en correspondeerde erover met historicus en Eerste Kamerlid Gerretson. Op 8 maart 1956 schreef Fabius hem in een brief vol staatsrechtelijke overwegingen, dat hij van mening bleef dat de koningin haar eed had gebroken en dat het zijn plicht als ‘onderdaan’ was geweest om haar te waarschuwen. ‘[…] toen de koningin doorging en blijkbaar akkoord ging met het verbreken van het Uniestatuut […] heb ik de consequenties aanvaard. Daar ik wist, dat H.M. onder druk van de drie schikgodinnen handelde heb ik de geïncrimineerde zinsnede gebruikt. Deze betekende voor elke goede lezer, Koningin gij hebt nu ten tweede male uw eed gebroken, schei er nu eens mee uit, besteed wat meer tijd aan staatszaken en wat minder aan oppervlakkige charitatieve dingen en vooral ontworstel je aan de dames rond je. Ik heb het verder zo ingekleed, dat ik de schuld van de eedsbreuk verkleinde door deze te werpen op de drie dames. Ja, kijk eens, iemand moet het zeggen, niemand heeft mij nog kunnen verwijten, dat het niet juist was wat ik schreef.’

Op 9 maart 1956 verscheen een volgende aflevering van de Nieuwsbrief, waarin Fabius zich beklaagde over de in zijn ogen schandalige behandeling. Hij vond dat zijn rechten waren geschonden bij de inval omdat hij geen advocaat had kunnen inschakelen. Ook vond hij de inbeslagneming van zijn volledige archief en de inverzekeringstelling van vier dagen volkomen overdreven. Deze nieuwe aflevering van de Nieuwsbrief was voor P.S. Gerbrandy, lid van de Tweede Kamer voor de ARP en net als Gerretson criticus van de Nederlandse Indonesiëpolitiek, aanleiding om in april 1956 vragen over de behandeling van Fabius te stellen aan minister van Justitie J. van Oven.

 

Felle protesten

Deze vragen kwamen op een pijnlijk moment. Juist in deze maanden werd Juliana door het Hofmanskamp ‘onder druk gezet op een wijze die alle staatsrechtelijke grenzen leek te overschrijden’, zo blijkt uit de biografie van Fasseur. Juliana ontbood na ‘doorgevingen’ van Hofmans alle leden van het kabinet om hen te onderhouden over hun beleid van de vier jaar daarvoor. In de ministerraad van 26 maart 1956 waren felle protesten te horen over het gedrag van de koningin, met woorden als ‘wij hebben het gehad’.

Op 13 juni 1956 barstte de bom na onthullingen in het Duitse weekblad Der Spiegel onder de kop ‘Zwischen Königin und Rasputin’, over de spanningen die het Hofmanskamp veroorzaakte tussen Juliana en Bernhard en binnen de monarchie. Een commissie van drie wijze mannen, L.J.M. Beel, A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en P.S. Gerbrandy, de man die Kamervragen had gesteld over de behandeling van Fabius, kreeg opdracht om onderzoek te doen naar de Hofmanskwestie. De commissie-Beel presenteerde op 8 augustus 1956 een geheim rapport, met de conclusie dat de contacten van Greet Hofmans met het hof moesten worden beëindigd en dat de hofhouding moest worden gereorganiseerd. Aldus geschiedde.

En Jan Fabius? Hij zal tevreden gebromd hebben. ‘Ja, kijk eens, iemand moet het zeggen.’

 

(Dit verhaal is eerder gepubliceerd in true crime magazine Koud Bloed (2011, nr. 15)

IQ en de rijkdom van naties

De huidige discussie over IQ-verschillen tussen volkeren heeft zijn oorsprong in het boek IQ and the Wealth of Nations, van de hoogleraren Richard Lynn (psycholoog) en Tatu Vanhanen (politicoloog/socioloog).  Daarover schreef ik in 2002 het volgende artikel voor weekblad Intermediair.

Richard Lynn en Tatu Vanhanen hadden zich veel voorgesteld van de presentatie van hun nieuwe boek. Maar toen ze op 22 februari van dit jaar een persconferentie hielden in Washington D.C. bleef het akelig stil. In de zaal zat welgeteld één wetenschapsjournaliste (van Science) en die zag ook nog af van een artikel.
Het contrast met de pretenties van Lynn, emeritus hoogleraar in Noord-Ierland, en Vanhanen, emeritus hoogleraar in Finland, kon niet groter zijn. Ze hadden hun boek niet voor niets IQ and the Wealth of Nations, gedoopt, een variatie op de titel van het invloedrijke klassieker van Adam Smith uit 1776. Maar de schok die het boek had moeten veroorzaken is tot nu toe uitgebleven.
De basisstelling van het boek is dat het nationale IQ-niveau in belangrijke mate bepaalt waarom landen arm of rijk zijn. En dat IQ verschilt per land, zo maken ze aannemelijk met een stortvracht aan gegevens. De auteurs laten ook zien dat er een voor de sociale wetenschappen ongekend sterk verband is tussen dat IQ en de hoogte van het Bruto Nationaal Product.
Lynn en Vanhanen beweren niet dat een hoog IQ alleen verantwoordelijk is voor economische bloei. Landen moeten ook een effectief economisch systeem hebben. Dat China (IQ 100) en Rusland (IQ 96) relatief zo’n laag BNP hebben is te wijten aan het socialisme. En ook toevallige natuurlijke rijkdommen kunnen het BNP gunstig beïnvloeden. Als voorbeelden noemen ze de olie in de Golfstaten en de diamanten van Botswana.
De wereld volgens Lynn en Vanhanen bestaat uit vier groepen: de bevolking van Oost-Azië (IQ 105); de bevolking (van Europese origine) van Europa, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland (IQ 100); de bevolking van Zuid-Azië, Noord-Afrika en Latijns-Amerika (IQ 85); Afrika onder de Sahara en het Caribisch gebied (IQ 70).
Op explosief terrein begeven Lynn en Vanhanen zich met de sugestie dat de IQ-verschillen tussen naties waarschijnlijk voor een groot deel genetisch zijn en dat dit betekent dat deze nooit geheel zullen verdwijnen, zodat er altijd rijke en arme landen zullen blijven bestaan. Sterker nog: de kloof tussen arm en rijk zal volgens het duo alleen maar groter worden doordat economische groei steeds afhankelijker wordt van technische innovaties zoals computers, mobiele telefoons en nieuwe medicijnen. Om die te ontwikkelen heb je een hoog IQ nodig, waardoor landen met hoge IQ’s het steeds beter zullen doen dan landen met lage IQ’s, betogen ze.
Lynn en Vanhanen pleiten voor aanpassing van de ontwikkelingshulp. Die moet zich richten op verhoging van intelligentie. De effectiefste manier om dat te doen is het verbeteren van de kwaliteit van de voeding. Voor Afrika, het Caribisch gebied en veel delen van Zuid-Azië en Zuid-Amerika hebben ze slecht nieuws: die landen zullen economisch achterblijven in de nabije toekomst.
Goed nieuws hebben ze voor China, Rusland en andere delen van het voormalige Oostblok met een hoog IQ: door de introductie van de door Lynn en Vanhanen bejubelde vrijemarkteconomie zullen die landen de komende decennia alsnog gaan bloeien.
Applaus voor zijn boek heeft Lynn tot nu toe alleen in ontvangst kunnen nemen op een congres van de extreem-rechtse organisatie American Renaissance, die strijdt voor een blank Amerika. Dit soort optredens dragen er ongetwijfeld toe bij dat de grote meerderheid van zijn vakgenoten het boek vooralsnog negeert. ‘Als het professionals zijn, dan zouden ze het moeten lezen. De waarheid zal uiteindelijk zegevieren’, zegt Lynn desgevraagd.
Maar hoe verpletterend zal die waarheid blijken te zijn? De Nieuw-Zeelandse IQ-deskundige Jim Flynn twijfelt er niet aan dat het IQ stijgt als de industrialisatie van een land (en dus de rijkdom) toeneemt. ‘Maar het is een proces van causale interactie: meer modernisering stimuleert het IQ, wat de volgende toename in modernisering vergemakkelijkt. Dus een verband tussen rijkdom en gemiddeld IQ vertelt ons niets over oorzaken. En het betekent zeker niet dat naties met lagere gemiddelde IQ’s niet kunnen industrialiseren.’

Naschrift 6 februari 2018

De Tilburgse methodoloog van de sociale wetenschappen Jelte Wicherts publiceerde in 2010 diverse kritische artikelen over het werk van Lynn (en Vanhanen). In een studie over de Sub-Sahara concludeert Wicherts:

“It is true that Africans show lower average IQs as compared to contemporary western norms, although the IQ gap is substantially smaller than Lynn (and Vanhanen) have maintained. More importantly, there is little scientific basis for the assertion that the observed lower IQs of Africans are evidence of lower levels of general intelligence or g. (…) There are several reasons to expect increases in IQ levels among sub-Saharan Africans in the coming decades.”

 

IQ and the wealth of Nations, uitgeverij Praeger, Londen 2002

De artikelen van Wicherts staan hier, hier, hier en hier.

 

De fabels van dr. Jos Schadé

Zaterdag 3 februari verscheen in De Telegraaf een interview met ‘cyberspion of fantast?’ Rian van Rijbroek. Haar verhaal bevat opmerkelijke parallellen met de geschiedenis van ruimtevaartdeskundige dr. Jos Schadé.

 

Eind jaren zestig volgden vele Nederlanders op de televisie ademloos hoe de Amerikanen via de Apollovluchten de maan naderden. De NTS (de voorganger van de NOS) verzorgde uitgebreide uitzendingen, gepresenteerd door Henk Terlingen. Bij de vlucht van de Apollo 8 in december 1968 stond ‘Apollo Henkie’, zoals Terlingen al snel werd genoemd, in contact met de enige Nederlander op Cape Kennedy in Houston, de Amsterdamse medicus, neurofysioloog en hersenspecialist dr. Jos Schadé. Deze hoofdmedewerker van het Nederlands Centraal Instituut voor Hersenonderzoek had zich bij de NTS gepresenteerd als lid van het medisch team van de NASA en had aangeboden nu en dan te berichten over de toestand van de astronauten, van wie hij de hersenfuncties gedurende de hele vlucht radiografisch zou volgen in het controlecentrum op Cape Kennedy. Voorafgaand aan de lancering van de Apollo 8 sprak Schadé in De Telegraaf met veel kennis van zaken over de medische problemen die astronauten kunnen ondervinden op een ruimtereis. Hij bagatelliseerde overigens het belang van zijn aanwezigheid in Houston: ‘In het grote geheel van die hele geweldige prestatie van zo’n maanvlucht en van al die mensen die ermee te maken hebben, lever ik maar een geweldig kleine bijdrage, zo klein dat die nauwelijks te noemen is.’

Hoe gepast deze bescheidenheid was, bleek enkele maanden later bij de ruimtereis van de Apollo 9. Ook bij deze vlucht was Schadé weer via de telefoon te horen in de NTS-uitzendingen. Op 6 maart 1969 bracht Klaas Jan Hindriks, correspondent in Amerika voor AVRO’s Radiojournaal, echter eigenaardig nieuws. Hij had Schadé in Houston proberen te bereiken om zijn visie te horen op de ziekte van astronaut Schweickart, maar had hem niet te pakken kunnen krijgen. Hindriks zei op de radio: ‘Alhoewel hij voor de NTS maandagcommentaar gaf vanuit Cape Kennedy’s hoofdcontrolekamer, blijft hij voor mij en voor mijn Nederlandse collega Ben van Merendonk, die nog altijd naspeuringen verricht, onvindbaar. De NASA, noch de luchtmacht, noch de medische staf en de veiligheidsdienst en ook dr. Barry [de leider van het medische team , FvK] persoonlijk, heeft ooit van dr. Schadé gehoord.’ Hindriks had ook ontdekt dat er op de desbetreffende maandag vanuit Houston geen gesprek was aangevraagd met Hilversum. De NTS stelde aanvankelijk dat er sprake moest zijn van een misverstand. Programmahoofd Carel Enkelaar stak zelfs de draak met Hindriks: ‘Het is een boeiend verhaal, maar ik kan me niet voorstellen dat we met een spook hebben gesproken de laatste dagen.’

Dat er niet met Hilversum was gebeld was volgens de NTS eenvoudig te verklaren, want de studio zat immers in Bussum. Bovendien hadden zowel het Herseninstituut alsde vrouw van Schadé bevestigd dat deze als lid van het medisch team in Houston zat. Die donderdagavond verscheen Schadé echter niet in de uitzending met een rechtstreeks commentaar. De NTS liet weten dat de Apollo 9 misschien vroeger zou landen en dat de voorbereidingen hierop voor zoveel drukte zorgden dat Schadé zich niet kon vrijmaken. Enkelaar zei die donderdag dat Schadé hem had verteld dat hij mogelijk moest worden overgevlogen naar een van de bergingsschepen in de Stille Oceaan. Schadé had ook laten weten dat Hindriks een volgende keer moest vragen naar doctor Sjadie als hij hem nodig had, want zo spraken de Amerikanen zijn naam uit.

De geïrriteerde hersenonderzoeker had verder gemeld dat hij door de naspeuringen van Hindriks in conflict was gekomen met de veiligheidspolitie van de NASA. De volgende ochtend kwam Enkelaar echter met een heel ander verhaal naar buiten. Hij had die nacht gesproken met William Schumate, een lid van het medisch team van de NASA, en die had hem verteld dat hij Schadé inderdaad bij de vlucht van de Apollo 8 in december had ontmoet in Houston, maar hij betwijfelde of Schadé, die zich had voorgesteld als directeur van het Herseninstituut, toen in het controlecentrum aanwezig was geweest. Tijdens de vlucht van de Apollo 9 had hij Schadé in het geheel niet gezien.

Na dit gesprek had Enkelaar opnieuw met Schadé gesproken en die zou nu hebben toegegeven dat hij gewoon in Nederland was en die maand helemaal niet in de Verenigde Staten was geweest. Enkelaar maakte bekend dat de NTS de samenwerking met Schadé direct had verbroken.

‘s Middags werd de auto van Schadé door de rijkspolitie onbeheerd aangetroffen bij Warmond op de rijksweg Amsterdam-Den Haag. In de auto lag een compleet draaiboek van de Apollovlucht, inclusief de golflengten waarop de astronauten contact onderhielden met de aarde, zo meldde de Volkskrant.

Schadé, op dat moment de meest gezochte man van Nederland, bleek onvindbaar voor journalisten. Alleen een journalist van Het Parool kreeg hem te spreken, gewoon thuis in zijn villa in Nieuwendam. Schadé beweerde op vrijdagochtend vanuit New York op Schiphol te zijn aangekomen. Onderweg naar huis had hij motorpech gekregen. Hij hield stug vol naar de VS te zijn geweest, ook al kon de KLM hem niet op de passagierslijst vinden. Hij probeerde dat te bewijzen met een stempel in zijn paspoort, gedateerd op 27 februari 1969, een hotelrekening die liep van 27 februari tot en met 3 maart, en een telefoonrekening voor een Long Distance Call, gedateerd op 3 maart 1969 en op naam van Schadé.

Wat de hersenonderzoeker in de VS zou zijn overkomen, was ronduit verbluffend: ‘Donderdag 27 februari kwam ik op Kennedy Airport aan. Daar werd ik door een Nederlands sprekende FBI-agent uit de rij passagiers gehaald en twee uur lang ondervraagd. Men was op de hoogte dat ik vlak na de Geminivluchten voor een psychologencongres in Moskou en Leningrad geweest was. Ook wist de FBI dat ik van 14 tot 24 april aanstaande opnieuw een reis door Rusland ga maken. Die reis is aangeboden door de uitgevers van het in het Engels verschijnende wetenschappelijke tijdschrift Brain Research, waarvan ik hoofdredacteur ben. Na die ondervraging op het vliegveld van New York had ik het gevoel voortdurend geschaduwd te worden. Er was bij NASA namelijk een lek ontdekt, dat snel gedicht moest worden. Ik was verdacht. Op Houston Control en op Kaap Kennedy heb ik namelijk twee medische vriendjes zitten, die mij van inlichtingen voorzagen en een interne lijn verschaften, zodat ik aan het NTS-verzoek kon voldoen om nieuws door te bellen. Die inlichtingen van mij waren zo goed, dat Bussum de gegevens vaak tien minuten eerder binnen had dan Houston Control zelf.’

Daarmee verklaarde Schadé een feit waarover iedereen zich had verbaasd. Ook voor andere raadsels had Schadé oplossingen: ‘Op de een of andere manier is de FBI er toch achter gekomen dat ik over meer faciliteiten beschikte dan de gewone persjongens. (…) Direct na mijn laatste woorden ben ik door de FBI gepakt en naar New York gebracht. Ik ben weer over mijn tipgevers en mijn reizen naar Rusland ondervraagd. Later ben ik onder FBI-geleide per vliegtuig naar Nederland gevoerd. We kwamen hier ‘s nachts aan. Ik moest het kantoor van het Herseninstituut op de IJdijk voor ze openmaken. Daar vond de FBI interne medische rapporten van NASA en een aantal foto’s die ik van de Apollo 8 gemaakt heb. De spullen zijn mee naar Amerika genomen en zelf werd ik weer onder geleide naar New York getransporteerd. Ik kan niet zeggen wanneer dat precies geweest is, maar het heeft zich allemaal tussen afgelopen maandag en vrijdagochtend afgespeeld. In New York ben ik nogmaals dagen ondervraagd. Daarover kan ik niets meedelen omdat Buitenlandse Zaken en de BVD met de FBI in contact staan. Op last van de FBI moest ik de uitzendingen vanuit New York gewoon voortzetten en doen alsof ik in Houston zat. (…) Mijn gegevens hebben ze in New York achtergehouden. Vrijdagochtend ben ik nogmaals onder geleide van de FBI op Schiphol aangekomen,’ aldus Schadé in Het Parool.

Hij was zeer verontwaardigd dat Enkelaar durfde te beweren dat hij niet in Amerika was geweest, en dat Enkelaar buiten hem om een persconferentie had belegd. ‘Maar goed, dat zal wel met de omroeppolitiek te maken hebben, vriendjes blijven met de AVRO en zo.’ De NTS had de hele zaak volgens hem opgeblazen. ‘Ze wilden in mij de grote medische man van NASA zien, die ik nooit beweerd heb te zijn. Nu probeert de NTS via mij alle schuld van zich af te schuiven. Ik heb voor de NTS grote risico’s genomen, heb andere mensen in gevaar gebracht en ze betaalden me daarvoor honderd gulden per telefoongesprek plus 300 gulden als ik de NTS een jaar lang van advies zou dienen. Ik deed het niet om het geld, ik heb trouwens nog nimmer een cent van ze gezien. Nu ben ik stuk. Volledig kapot. Ik heb me door een journalistieke stunt onmogelijk gemaakt en ik zal mijn ontslag moeten indienen,’ jammerde Schadé aan het slot van het unieke interview in Het Parool.

Na het weekeinde werd bekend dat Schadé enkele weken zou worden verpleegd. Voor een collega-neurofysioloog, die de affaire een menselijk drama van de eerste orde noemde, was zijn optreden niet geheel nieuw: ‘Schadé zoekt het spektakel, hij voelt een bijna ziekelijke drang om in de publiciteit te komen,’ zei hij in Het Parool. ‘Je ziet hem bijvoorbeeld soms ook als financieel-economisch deskundige op verenigingsgebied opduiken, hij examineert fysiotherapeuten over vakken die niets met zijn eigen gebied te maken hebben, hij redigeert boeken die buiten zijn werkterrein liggen, maar waar wel met grote letters zijn naam op staat, en dat doet hij allemaal met een enthousiasme en werklust, die het op het eerste gezicht allemaal geloofwaardig maken. De afschuwelijke affaire die nu aan de gang is, bewijst dat deze man ziek moet zijn, anders doe je toch zoiets niet. Dit moet toch pathologie zijn. Wij als zijn collega’s zullen moeten proberen hem in de wetenschappelijke sfeer terug te brengen.’

Dat lukte blijkbaar, want op 27 maart meldde Het Parool dat Schadé zijn excuses had aangeboden aan de NTS en weer aan het werk was gegaan bij het Herseninstituut. Zijn werkgever had geen reden tot ontslag gezien in de affaire, omdat op zijn wetenschappelijke werk voor zover bekend niets viel aan te merken. Ook Enkelaar verklaarde de zaak voor gesloten. ‘[W]ant wat is er voor de NTS eigenlijk aan de hand? Dr. Schadé heeft zonder twijfel ter zake kundige commentaren geleverd. Hij heeft echter niet vanuit Houston gebeld, zoals was afgesproken.’ Enkelaar wist inmiddels ook hoe Schadé dan wél aan zijn informatie was gekomen: hij had met een radio de verbinding afgeluisterd die de NASA via de PTT doorgaf aan de Amerikaanse vliegbasis in Soesterberg, en Nederland ingelicht vanaf Cape Warmond.

Neil Armstrong zette op 21 juli 1969 zonder het deskundig commentaar van Schadé de eerste voet op de maan.

Acht jaar later kwam Schadé opnieuw in het nieuws. Met zijn jeugdvriend prof.dr. Piet Biersteker, die hem in 1967 al aan een parttime lectoraat neurofysiologie in Utrecht had geholpen, had hij in Utrecht de Stichting Utrechtse Paramedische Academie (SUPA) opgezet, een opleiding voor fysiotherapie. Schadé werd hiervan directeur. Biersteker was ervan op de hoogte dat artsen Schadés ruimtevaartcommentaren hadden gediagnostiseerd als Pseudologia fantastica (een onbedwingbare neiging om gefantaseerde belevenissen waarin iemand zelf de hoofdrol speelt voor te stellen als waar gebeurd), maar hij meende dat Schadé, als hij in toom werd gehouden, goed werk kon verrichten op onderwijskundig gebied. Bovendien had deze in het verleden bewezen erg handig te zijn in het verwerven van fondsen. Het tweetal Biersteker/Schadé zat ook achter de Stichting Medische Bibliotheek in Houten. De boekhoudingen van deze twee stichtingen liepen al snel op een zeer ondoorzichtige manier door elkaar heen, tot wanhoop van administrateur A.J. Bakema van de SUPA. Na diens klachten werd in 1974 een accountantsonderzoek gehouden, dat uitwees dat Schadé meer dan twee ton aan subsidies van het ministerie van Onderwijs voor zijn nevenactiviteiten had gebruikt. Uiteindelijk kwam ook de accountantsdienst van het ministerie eraan te pas. Schadé slaagde er met zijn enorme verbale vermogens echter in de rijksaccountant op een dwaalspoor te brengen en maakte de administrateur zo zwart dat deze naar huis werd gestuurd. Het duurde uiteindelijk tot het voorjaar van 1978 voordat Schadés kluwen van leugens was ontward. Na Kamervragen en vier diepgravende artikelen van Klaas Samplonius in het weekblad Accent werd Schadé uiteindelijk op non-actief gesteld. Hij schreef daarna nog een flink aantal boeken. Zo was hij samensteller van Medicijnen zonder recept en de Nieuwe Geneesmiddelengids; en schreef hij mee aan het cursusboek van de televisiecursus Over mijn lijf die Veronica en TROS in 1990 uitzonden. Aan de fantastische vertellingen van Schadé lijkt echter een eind te zijn gekomen.

Bronnen: De Telegraaf, 21 december 1968; Het Parool 7, 8, 10 en 27 maart 1969; de Volkskrant, 7, 8 en 10 maart 1969; Accent, 30 juli en 6 augustus 1977, 18 februari 1978; Carel Enkelaar, Ooggetuige. Achterkanten van de media, z.p. 1992, p. 338-352; gesprek in 1992 met prof.dr. J. Ariëns Kappers.