Brieven over roemrucht Café de Paris op muziek gezet

In 2014 kreeg ik uit Engeland een e-mail van Peter Lobbenberg, de kleinzoon van Lony Rabl-Fraenkel, de Duits-joodse eigenaresse van het beroemde Café de Paris dat in de jaren dertig en oorlogsjaren was gevestigd in de Beethovenstraat in Amsterdam. Lobbenberg had in de nalatenschap van zijn moeder brieven gevonden die grootmoeder Lony aan hem had geschreven als baby, toen hij nog niet kon lezen. Op basis van deze aangrijpende brieven kon ik de levensgeschiedenis van Lony Rabl (zij werd vermoord in Auschwitz) verder reconstrueren voor mijn boek De Beethovenstraat (hier te koop).

Lobbenberg gaf de brieven ook aan de Engelse componist Ronald Corp, die ze nu op muziek heeft gezet voor een strijkkwartet met mezzo-sopraan. Op woensdag 28 juni 2017 vindt in Londen de première plaats van Letters from Lony, uitgevoerd door het wereldberoemde Chilingirian Quartet met mezzo-sopraan Sarah Pring.

Lobbenberg werkt aan plannen om Letters from Lony ook in Amsterdam te laten opvoeren.

Zoeken naar Esther Yap: datafraude-verdenkingen in Singapore

De Nederlandse psychologe Helmy Faber heeft een heldenrol gespeeld in een slepende zaak over onderzoeksdata aan Nanyang Technical University in Singapore. Pedagogisch onderzoeker Noel Chia trekt elf artikelen terug, nadat hij niet in staat bleek om onderzoeksdata te laten zien. Het Amerikaanse Journal of the American Academy of Special Education Professionals (JAASEP) schrapt in reactie daarop alle negentien publicaties van Chia. JAASEP prijst Faber voor haar volhardendheid en heeft de regels voor onderzoek naar fraudebeschuldigingen aangescherpt.

Een jaar geleden kreeg ik een e-mail van de Nederlandse psychologe Helmy Faber die al jaren in Singapore woont. Zij was bij onderzoek voor een boek over dyscalculie (een leerstoornis op het gebied van rekenen) gestuit op ruim tien papers van de pedagogisch onderzoeker Noel Chia van het National Institute of Education, onderdeel van Nanyang Technical University (NTU) in Singapore. Alle studies waren gepubliceerd in Amerikaanse peer reviewed tijdschriften, vooral in The Journal of the American Academy of Special Education Professionals (JAASEP). Voor de werving van kinderen voor zijn studies had Noel Chia samengewerkt met een privékliniek, was in voetnoten te lezen.

Faber zocht contact met Chia om details te horen over zijn studies, en kreeg te horen dat hij had samengewerkt met een consortium in Kuala Lumpur, de hoofdstad van het aan Singapore grenzende Maleisië. Dit PPC (Pusat Pembelajaran Cacat) consortium stond onder leiding van ene Esther Yap, die ook co-auteur was van een van Chia’s publicaties. Faber vroeg inzage in de data van de diverse studies, maar Chia liet weten dat hij die niet kon geven vanwege vertrouwelijkheid. Ook informatie over de leden van het consortium zei hij om die reden niet te kunnen verstrekken. Hij had zelf ook geen toegang tot de data, want alles was gelopen via het consortium van Yap. Faber vroeg Chia hoe zij in contact kon komen met Yap, maar daar moest Chia het antwoord schuldig op blijven. Hij zei haar intussen uit het oog te zijn verloren.

Faber vertrouwde de zaak niet en stelde in maart 2014 het National Institute of Éducation (NIE) op de hoogte van haar bevindingen. Het NIE vormde een adviesgroep, die rapporteerde aan de Research Integrity Officer (RIO) Mr Tony Mayer van de universiteit. Deze Mayer liet Faber in november 2014 weten dat “de beschuldigingen niet konden worden onderbouwd”. Het rapport van de commissie werd vertrouwelijk gehouden, maar ze kreeg wel te horen dat de studies door de bladen waarin ze waren gepubliceerd, waren beoordeeld door peer reviewers “en dat beschouwen we als een aanvaardbare test voor de validiteit van de aanpak van een studie”.

Omdat ze bij Nanyang University geen voet aan de grond kreeg besloot Faber in maart 2015 de redactie van het Amerikaanse tijdschrift JAASEP), waarin veel van Chia’s publicaties waren verschenen, te vragen om de artikelen van Chia terug te trekken vanwege de onduidelijkheid over de herkomst van diens data.

De twee hoofdredacteuren van JAASEP, Dr George Giuliani and Dr Roger Pierangelo, lieten Faber weten dat ze de zaak maar verder moest oplossen met Chia. Hierna wendde Faber zich opnieuw tot Chia met haar vragen over de data en de mysterieuze co-auteur Esther Yap. Maar Chia liet haar weten dat alle vragen al waren beantwoord door het onderzoek van de NIE en dat hij was vrijgepleit. Hij wilde geen verdere vragen meer beantwoorden. Er was een vicieuze cirkel ontstaan: de universiteit stelde dat de studies na peer review waren gepubliceerd, en dus deugden. Noel zei dat Fabers vragen al waren beantwoord.

Faber wees de JAASEP-editors vervolgens op de regels van COPE (Committee On Publication Ethics) die voorschrijven hoe onderzoek dient te worden gedaan in een situatie als deze en suggereerde JAASEP om eigen onderzoek te doen en daarbij ook de co-auteurs te benaderen. Hierna liet JAASEP weten de zaak toch verder te zullen onderzoeken.

In de tussentijd was Faber op internet op mijn publicaties over wetenschapsfraude gestuit. Ze vroeg mij of haar ervaringen uitzonderlijk waren en wilde advies over hoe ze verder zou kunnen komen met deze zaak. Ik bestudeerde haar bevindingen, vooral de mysterieuze Esther Yap intrigeerde mij. Ook ik kon haar nergens vinden. Het e-mailadres van Yahoo dat ze gebruikte in publicaties, bestond niet meer.

In de maanden daarna hield Faber mij op de hoogte van haar eigen naspeuringen naar Yap. Als Yap inderdaad een kliniek had (gehad), zou zij toch ergens geregistreerd (hebben) moeten staan volgens de wettelijke regels in Maleisië, maar ze bleef onvindbaar. Ook door Faber aangeschreven collega’s bleken nog nooit van haar te hebben gehoord.

De redactie van JAASEP liet Faber in mei 2015 weten dat zij zich uitvoerig had laten informeren over het onderzoek dat Nanyang University had verricht. Op basis daarvan was JAASEP tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende grond was voor Fabers beschuldigingen dat er data vervalst of verzonnen waren. JAASEP citeerde daarbij uit een brief van ombudsman Mayer, die stelde dat er sprake was van een “wetenschappelijk verschil van mening over de interpretatie van data” dat moest worden opgelost via het normale wetenschappelijk debat in vaktijdschriften. Ook meldde Mayer dat hij e-mailuitwisselingen tussen Yap en Chia en anderen had gezien en dat er geen twijfel over kon bestaan dat zij een “echt persoon” was. Maar contact met Yap was er niet geweest, schreef hij, omdat er geen reden was om te twijfelen aan de echtheid van de correspondentie.

Voor de “whereabouts” van Yap verwees Mayer in zijn brief aan JAASEP naar een artikel van Yap gepubliceerd in de Journal of Reading & Literacy, waar Chia in de hoofdredactie zat. Daarin werd een kliniek genoemd in Johor Baru in Maleisië. Faber had echter al vastgesteld dat nergens een vermelding te vinden was van die kliniek.

Ik hielp Faber met het terugvinden van pagina’s die op een intussen opgeheven blog van Chia hadden gestaan. Via dat blog werd duidelijk dat driekwart van bovengenoemd artikel feitelijk bestond uit tekstblokken uit artikelen die eerder door Chia zelf waren gepubliceerd op dat blog, zonder Yap. Dat zou betekenen dat Yap uit de artikelen van Chia had geplagieerd, onder zijn eigen ogen, wat hoogst onwaarschijnlijk was. Waarschijnlijker was dat Chia de eigenlijke auteur was van het stuk. Dit leek een nieuwe aanwijzing dat Yap een verzinsel was.

Faber bracht deze en andere bevindingen opnieuw onder de aandacht van ombudsman Mayer. Dat leidde ertoe dat zij in het najaar van 2015 werd gehoord door een commissie van Nanyang University, in bijzijn van Mayer. Daarna bleef het lange tijd stil, tot zij in april 2016 plotseling bericht kreeg dat Chia ontslag had genomen. Op de website van Nanyang University verscheen een bericht over retracties. “Chia en zijn co-auteurs” hadden verzocht om elf artikelen terug te trekken, waarvan negen in JAASEP. Als reden werd gegeven dat “ de primaire data niet meer beschikbaar waren voor verificatie”. Ook had de universiteit informatie ontvangen “dat er serieuze zorgen waren over de ethische omgeving waarbinnen de data waren verzameld”. Of Esther Yap dit verzoek ook had gedaan, maakte het bericht op de website niet duidelijk.

JAASEP voelde zich door dit bericht in ernstige verlegenheid gebracht tegenover Faber, omdat haar verzoek om correctie/retractie kennelijk gerechtvaardigd was geweest. De redactie liet mij in april 2016 weten dat zij rond de verschijning van het voorjaarsnummer uitvoerig zou ingaan op de kwestie. Dat is deze week gebeurd met een “retraction statement” van ongekende omvang. De redactie schetst uitvoerig de gang van zaken en trekt het boetekleed aan over haar eigen handelen. Het blad bedankt Faber voor haar “harde werk en onvermoeibare inspanningen”. En: “Ze stuitte duidelijk op vele professionele obstakels, maar ze bleef trouw aan waar ze in geloofde en leverde uiteindelijke een zeer goede bijdrage aan het review-proces.” JAASEP liet ook weten voortaan haar eigen onafhankelijke onderzoek te zullen doen mocht zich onverhoopt nog eens zo’n zaak voordoen.

Tot slot liet de redactie weten niet alleen de negen artikelen te zullen terugtrekken die Chia zelf had voorgesteld, maar alle (naar zich laat aanzien negentien) die ooit in het blad zijn verschenen. De redactie benadrukt dat Esther Yap niet bij de auteurs behoort die om retractie heeft gevraagd, omdat Chia en de andere co-auteurs niet met haar in contact konden komen.

Het raadsel van Esther Yap blijft dus vooralsnog bestaan. Mogelijk gaat dat alsnog worden opgelost door vervolgonderzoek dat Nanyang University gaat doen. Dan zal ook duidelijk worden of er nog meer retracties zullen volgen van artikelen van Chia.

De reactie van Helmy Faber na het verschijnen van het retraction statement van JAASEP bestond uit slechts één woord: “Wow!”

De data-zaak in Singapore heeft ook nog een vertakking naar een Nederland. Chia werkte samen met dr. Sui Lin Goei van de Hogeschool Windesheim in een project over de heilzame werking op autistische kinderen van ‘virtuele dolfijnen’. Chia is nu uit dit project ook gestapt. Ook zou Goei dit najaar samen met Chia een boek publiceren bij Routledge. Windesheim laat weten dat Goei met Chia is overeengekomen dat hij terugtreedt als editor en ook niet meer vermeld zal worden als co-auteur van hoofdstukken waaraan hij heeft meegeschreven.

Chia heeft het afgelopen jaar geen antwoord gegeven op vragen die ik hem heb gesteld per e-mail.

UPDATE 11 JUNI 2016

Nanyang University heeft meer details over de zaak gepubliceerd op haar website na het verschijnen van mijn artikel en een artikel in de Straits Times. De adviesgroep die in 2014 onderzoek deed naar de zaak heeft via Noel Chia in contact proberen te komen met Esther Yap. Chia meldde dat hij haar niet kon bereiken, maar overlegde wel correspondentie die hij tussen 2007 en 2012 met haar had gevoerd. Ook legden vier personen een verklaring af dat ze Yap persoonlijk hadden ontmoet en de beschrijvingen die ze van haar gaven stemden overeen.

Nadat Faber met nieuwe beschuldigingen was gekomen dat Yap niet bestond, wees de adviesgroep Chia er nogmaals op dat een gesprek met Yap van het grootste belang was. Chia schakelde daarna privé-detectives in Maleisië in, maar ook die konden Yap niet vinden. Ook het National Institute of Education huurde een bureau in om Yap op te sporen, eveneens vergeefs. Pogingen van het instituut om het (volgens Chia in 2012 opgeheven) PPC-consortium te traceren liepen eveneens op niets uit.

 

 

Nieuwe akte in zaak-Kourtit/Nijkamp: wachten op een statement

Eerder dit jaar stelde ik op dit blog vast dat het College van Bestuur van de Vrije Universiteit in een lastig parket was beland door een aanvechtbaar advies van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dat advies leek haaks te staan op de gangbare regels voor plagiaat.

Een VU-commissie had geoordeeld dat sprake was van plagiaat in een artikel van Karima Kourtit, Peter Nijkamp, Evelien van Leeuwen en Frank Bruinsma. De auteurs hadden een fors aantal zinsneden overgenomen van andere wetenschappers, zonder aanhalingstekens en zonder verwijzingen naar de herkomst van die zinnen. Wel gaven de auteurs de gebruikte bronnen weer in een lijst aan het eind van het artikel. Kourtit en Nijkamp noemden dit een “collectief referentiesysteem”, dat was gehanteerd vanwege de leesbaarheid.

De Tilburgse hoogleraar Harrie Verbon veegde de vloer aan met het LOWI-advies, dat volgens hem in Nederland de weg vrijmaakte “voor het ongestraft plagiëren van andermans werk”.

Het College van Bestuur bleek ook moeite te hebben met het LOWI-advies en zocht een compromis. De VU zag af van de sanctie om het artikel te laten terugtrekken, maar besloot “de coauteurs te verzoeken om in een (door hen allen gezamenlijk dan wel individueel) ondertekend statement te verklaren dat zij in het vervolg geen gebruik meer zullen maken van een collectief referentiesysteem bij het verwijzen naar werk of gedachtengoed van anderen, maar dat zij hiertoe een methode zullen hanteren waaruit voor iedere lezer duidelijk is aan wie de tekst of het gedachtengoed toebehoort”.

De termijn waarbinnen het bestuur dit statement had moeten ontvangen is intussen verstreken. De auteurs Bruinsma en Van Leeuwen hebben laten weten dat zij een collectief referentiesysteem afkeuren. Zij hadden zich eerder ook neergelegd bij het aanvankelijke oordeel van de VU-commissie en hadden zich niet gevoegd in het beroep van Kourtit en Nijkamp bij het LOWI.

Hebben Kourtit en Nijkamp het statement ook ondertekend? Op die vraag komt desgevraagd geen antwoord. Een woordvoerder van de VU laat weten: “Niet alle co-auteurs hebben aan dit verzoek voldaan. Omdat niet alle co-auteurs nog een aanstelling bij de VU hebben, zijn de mogelijkheden van de VU om hen aan het verzoek te laten voldoen, beperkt.”

Kourtit is tegenwoordig postdoc bij het Royal Institute of Technology (KTH) in Stockholm; Nijkamp is met pensioen.

Omstreden hoofdstukken in tweede proefschrift Kourtit

Is het ethisch om te promoveren op publicaties die nog worden onderzocht door een commissie wetenschappelijke integriteit vanwege mogelijke datamanipulatie? Kan een co-auteur van zulk omstreden onderzoek volgens de academische mores optreden als promotor? Moet kunnen, vinden de economen Karima Kourtit en Peter Nijkamp.

Kourtit is in juni 2015 aan de Adam Mickiewicz Universiteit in het Poolse Poznan cum laude gepromoveerd op een proefschrift met dezelfde titel als het proefschrift waarin een onderzoekscommissie van de VU eind 2013 plagiaat vaststelde: The new urban world. Kourtit promoveerde uiteindelijk in juni 2014 aan de VU op een sterk gewijzigd proefschrift, zónder beoogd promotor Peter Nijkamp, die op advies van de commissie het veld ruimde. In Poznan keerde Nijkamp echter terug als promotor, zo blijkt uit een beoordeling van het Poolse proefschrift door econoom Tadeusz Zipser. In dat Poolse proefschrift wordt Nijkamp aangeduid als “supervisor”.

Vergelijking van de vijftien hoofdstukken in de twee proefschriften maakt duidelijk dat twee ‘Poolse’ hoofdstukken identiek zijn aan hoofdstukken uit het afgekeurde proefschrift, en één vrijwel identiek (wel zijn alle data en tabellen volledig overgenomen). Deze drie hoofdstukken, alle met Nijkamp als co-auteur, zijn onderdeel van een klacht over vermeende datamanipulatie die een anonieme klager in juni 2014 indiende bij de VU. Hoofdstuk 5, 6 en 13 van het afgekeurde proefschrift zijn in het Poolse proefschrift opgenomen als hoofdstuk 6, 13 en 4.

Het is onbekend of Nijkamp en Kourtit de Polen hebben geïnformeerd over het integriteitsonderzoek naar de bewuste hoofdstukken aan de VU. De twee economen reageren niet op e-mails met vragen hierover. Ook betrokkenen in Polen (het afdelingshoofd, twee beoordelaars, de tweede promotor en de rector magnificus) reageren niet op vragen.

Voormalig VU-rector magnificus Frank van der Duyn Schouten voelt zich “niet tot actie geroepen, omdat de internationale aandacht die de casus van mevr. Kourtit heeft gekregen de stelling rechtvaardigt dat men aan de universiteit van Poznan wist waar men aan begon. Ik ben door mijn collega uit Polen overigens ook niet benaderd om hierover informatie te verstrekken.”

Nijkamp kreeg begin dit jaar een eredoctoraat aan de Adam Mickiewicz Universiteit.

Op de website van universiteitsweekblad Ad Valvas verscheen vandaag een vernietigende analyse van een vierde hoofdstuk uit het Poolse proefschrift (hoofdstuk 5).

 

 

Leidse hoogleraar Gill wil internationale discussie over zaak Kourtit/Nijkamp

De Leidse hoogleraar statistiek Richard Gill heeft vandaag op zijn website een Engelse vertaling gepubliceerd van de klacht van de anonieme klager in de slepende zaak rond de economen Karima Kourtit en Peter Nijkamp. In een verklaring op zijn site legt Gill uit waarom hij ruim een jaar geleden hielp om de Nederlandse versie van deze klacht in de openbaarheid te brengen.

“I agreed that it was in the public interest to disseminate this material also, since the whistleblower not only had wanted to publicise his analysis of various scientific publications, but also wanted to publicise the way his complaints had been handled at the Free University. I agreed that an academic discussion is badly needed about the right way to deal with problems like this, and the only way to have that discussion, is to be aware of what goes wrong in actual cases.”

Om de discussie ook internationaal te kunnen voeren startte Gill in maart van dit jaar een crowdfunding-actie om een Engelse vertaling te financieren.

Gill beklemtoont dat hij niet de mening van de klokkenluider wil uitdragen dat er datafraude heeft plaatsgevonden.

“i.e., the opinion that data has been manipulated (or even just made up) with the intention to deceive. In my experience, there can be many, many innocent explanations for such irregularities or anomalies, and of course the judgement that there is something wrong might even be based on misunderstandings. In other words, many apparent anomalies might not be anomalies at all. I think it is dangerous to base an accusation of fraud on one’s inability to come up with an innocent explanation for some weird anomalies. “Argument from ignorance” (argumentum ad ignorantiam), also known as appeal to ignorance (in which ignorance stands for “lack of evidence to the contrary”), is a well-known fallacy in informal logic, and also cause of quite a few famous miscarriages of justice!”

Gill maakt een onderscheid tussen de “integrity of scientific works” en de “integrity of scientific workers”.

“I have been involved in a number of “scientific integrity” investigations by now, and every time it has seemed to me that this distinction has been not taken care of properly. A disciplinary committee can decide that there is no proof that a particular employee of a university has behaved improperly. But it could well be that they have seen strong proof that some scientific works of that person are “tainted” by errors of some kind or other. They need to send the message to the local authorities that the matter is not closed by the verdict “innocent since no hard proof of guilt” regarding the personal integrity of the scientist under investigation. If there are serious problems with publications then the integrity of the scientist requires correction notes or even retractions. If this is forgotten, then the “affair” is not over, and will come back to haunt everyone. 

This seems to me to be the important message of the Nijkamp affair. It is not about fraud, and not about scientific integrity. It is about scientific quality. That discussion is still urgently needed and still has not happened.”

Ook in Duitsland onderzoek naar datafraudezaak sociaal psycholoog Jens Förster

De Deutsche Gesellschaft für Psychologie (DGP) heeft haar ‘Ehrengericht’ opdracht gegeven om onderzoek te doen naar sociaal psycholoog Jens Förster, lid van de DGP. De voormalige hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam ligt onder vuur na onderzoeken van de Universiteit van Amsterdam en het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit die wijzen op datafraude. Het Ehrengericht kan sancties opleggen variërend van een waarschuwing tot het opzeggen van het lidmaatschap.

Förster huidige werkgever, de Ruhr Universiteit in Bochum, heeft vooralsnog geen actie ondernomen naar aanleiding van de Nederlandse onderzoeken en zegt de bevindingen van het Ehrengericht af te wachten. De Ruhr Universiteit heeft Försters contract onlangs met twee jaar verlengd.

Förster ontkent data te hebben gemanipuleerd.

The Deutsche Gesellschaft für Psychologie (DGP) has commissioned its
'Ehrengericht' to investigate the case of social psychologist Jens Förster, 
member of the DGP. The former professor at the University of Amsterdam is
under fire after investigations by the University of Amsterdam and the National 
Board for Scientific Integrity indicating data fraud. The Ehrengericht may impose sanctions ranging from a warning to termination of membership.

Försters current employer, the Ruhr University in Bochum, has so far not taken 
any action in response to the Dutch investigations and says to await the findingsof the Ehrengericht. The Ruhr University has recently extended Försters 
contract by two years.

Förster denies having manipulated data.

Oliver Sacks in Amsterdam

In 2002 interviewde ik de vandaag op 82-jarige leeftijd overleden Oliver Sacks over zijn autobiografie voor weekblad Intermediair. Het gesprek kwam wat moeizaam op gang.

Deze maand was de Engelse neuroloog Oliver Sacks in Nederland voor de promotie van zijn autobiografie Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd. Sacks, die wereldberoemd is geworden door de beschrijving van intrigerende ziektegeschiedenissen van zijn patiënten, keert in dit boek terug naar het Engeland rondom de Tweede Wereldoorlog. Hij laat zien hoe hij als jongetje gefascineerd raakt door de scheikunde, gevoed door familie, boeken en proeven.

Het jongetje Oliver is inmiddels veranderd in een trekkebenende man van 68, die zijn gezondheid op peil probeert te houden door elke ochtend te beginnen met een zwempartij. Sacks is nog niet te zien in de lobby van het Americain Hotel in Amsterdam op het afgesproken tijdstip. Hij moest hier nog even douchen, vertelt de medewerkster van de uitgeverij, want in het zwembad ging dat niet door een legionella-besmetting. Als Sacks eindelijk arriveert, in een colbert met daaronder een T-shirt met het periodieke systeem der elementen erop, kan het interview nog niet meteen beginnen, want hij is een man van rituelen. De ramen moeten open, want anders krijgt hij het te warm. Als hij eindelijk gaat zitten, staat hij meteen weer op, want er moet thee op tafel komen, met melk wel te verstaan. De verkeersherrie die daardoor binnenkomt, maakt het moeilijk om hem te verstaan, want hij praat erg zacht.

‘Ik ben opgegroeid in een huis vol boeken. Mijn vader zat in zijn grote bibliotheek uren te lezen in de bijbel en in de talmoed met een sigaar in zijn mond; en mijn moeder las heel veel romans en biografieën, ze las mij ook vaak voor. Boeken waren a part of life, ze fascineerden me. Ik heb al heel vroeg leren lezen, volgens mij zonder eerst het alfabet te leren, maar direct via woorden. Of dat mogelijk is, weet ik niet, misschien is het een streek van mijn geheugen. Op mijn vijfde kon ik in elk geval vloeiend lezen. Ik weet nog goed dat ik tegen de onderwijzer op de kleuterschool zei dat ik kon lezen. Die geloofde me niet en zei dat ik loog. Hij haalde een krant en daar las ik wat uit voor. Hij dacht dat het een truc was. Het vreemde is dat ik het gevoel heb dat ik heb leren lezen zonder eerst het alfabet als zodanig te leren.

‘Van heel vroege herinneringen kun je vaak niet zeggen of ze echt zijn of fantasie. Voor het schrijven van dit boek heb ik veel dingen proberen te checken bij mijn vijf jaar oudere broer Michael, en daaruit bleek hoe interessant ons geheugen in elkaar zit. Er is in de oorlog twee keer een bom gevallen bij ons in de straat, allebei onontploft. Mijn eerste beschrijving kon mijn broer bevestigen, maar bij de tweede beschrijving zei hij tot mijn ontzetting dat we die hele bom nooit hebben gezien omdat we toen samen op de kostschool in Braefield zaten. Ik wierp tegen dat ik hem toch duidelijk voor mijn geestesoog zag. Dat verklaarde hij doordat onze broer David ons er een levendige brief over had geschreven, die ik me inderdaad kon herinneren. Maar al weet ik dat Michael gelijk heeft, toch blijft dit een echte herinnering voor me lijken, het is net een scène uit een film. Ik zie alle details en personen helder voor me, alleen het perspectief is eigenaardig. Het is net alsof ik van bovenaf naar het tafereel kijk, zonder dat ik kan zeggen waar ik ben in het geheel. Daaruit blijkt dat het een construct is. In die andere echte herinnering voel ik weer dat lichaam van het kleine jongetje dat daar in zijn dunne pyjama rillend van de kou staat te kijken.

‘Ik heb vaak problemen om uit te maken wat ik gezien of gehoord heb en wanneer het was. Het schrijven van een boek als dit blijft daardoor een romantische onderneming. Ik heb een reconstructie proberen te maken van de invloed die boeken op me gehad hebben, proberen te laten herleven hoe die boeken oorspronkelijk voelden. In feite een onmogelijke opgave, een romantische onderneming met alle vertekeningen, uitvergrotingen en dramatiseringen die daarbij horen. Maar in feite was mijn jongensleven ook zo’n romantische onderneming. Ik probeerde een negentiende-eeuwse scheikundige te zijn halverwege de twintigste eeuw, toen dat soort scheikunde al passé was. Wat ik las waren negentiende-eeuwse oude boeken, vol avontuur en spel, met titels als Chemical Recreations en The Playbook of Metals.

‘Ik vond het ook erg interessant om de originele verslagen van die oude scheikundigen te lezen. Er bestond een serie met herdrukken van boeken van bijvoorbeeld Davy, Faraday en Scheele. En heel fascinerend vond ik ook het proefschrift van Madame Curie, waar mijn moeder een exemplaar van had. Natuurlijk waren sommige van die boeken te moeilijk voor een jongetje. Een kind snapt niets van het werk van Ampère, maar Faraday is makkelijk te lezen door zijn ongedwongen stijl. Hij vertelt wat hij denkt, wat hij doet en waarom, of het lukt of niet, een continu verhaal. Je komt erachter wat er omgaat in zijn hoofd en kan deelnemen aan zijn ontdekkingstocht.

Mijn favoriete boek was The Interpretation of Radium van Frederick Soddy. Ik kwam het tegen toen ik mijn oude boeken ging ophalen in het huis van mijn vader na zijn dood in 1990. Ik herkende het meteen aan de roze verschoten omslag. Toen ik het uit de kast trok, verpulverde het in mijn hand tot stof. Het was net als diverse andere boeken aangetast door een schimmel. Gelukkig heb ik later nog een exemplaar te pakken kunnen krijgen.

‘Geschiedenis van de wetenschap is vaak een bijvak op de universteit, maar voor mij is het een integraal onderdeel van de wetenschap. Ik wil niet beweren dat bèta-studenten het werk van Aristoteles moeten kennen maar lijkt me toch zinnig om de geschiedenis van de natuurkunde te behandelen vanaf Galilei of de scheikunde vanaf Boyle. Toen ik mijn opleiding tot neuroloog volgde vroeg ik of ik ook iets kon leren over de geschiedenis van de neurologie. Ze zeiden: wie is daar nou in geïnteresseerd? Die mensen zijn allemaal dood. Dat is allemaal geweest.

‘Ik ben gevormd in openbare bibliotheken zoals de Willesden Public Library en die van het Science Museum, waar ik altijd ging kijken naar de … van het periodiek systeem. En mijn ooms en ouders waren heel belangrijk. Van school hield ik niet erg. Ik heb nooit goed kunnen stilzitten en opletten. Ik ben ongeduldig, moet kunnen rondlopen. Alleen in het water heb ik dat niet. Ik ben erg aquatisch, ik lees uren in bad. In zekere zin schrijf ik ook tijdens het zwemmen. Het prettigste vind ik zwemmen in een meer. Als ik dan een lang stuk ga zwemmen beginnen zich zinnen te vormen en verhalen. Voor mijn boek Een been om op te staan heb ik een hele paragraaf bij een meer geschreven. Ik had op een gegeven moment zoveel in mijn hoofd zitten dat ik echt het water uitmoest, anders werd het te veel om te herinneren. Ik heb dat toen in één ruk opgeschreven en opgestuurd naar mijn uitgever. Die klaagde dat hij al twintig jaar geen handgeschreven manuscript meer had gekregen en in welke eeuw ik dacht te leven. Hij vroeg zich ook af of ik het manuscript soms in bad had laten vallen, want het zat onder de vlekken.

‘Waar die voorliefde voor water vandaan komt weet ik niet. Het is vermoedelijk een familietrekje. Mijn vader en grootvader zwommen ook altijd. En onze ouders gooiden ons als baby’s al in het water. We konden eerder zwemmen dan lopen. Aan land ben ik altijd onhandig geweest, ik ga op dingen staan of struikel, maar in het water zoef ik. Daar krijg ik een gevoel van mijn fysieke zelf en weet ik precies waar mijn handen en voeten zijn. En tegelijkertijd is er soms een verlies van identiteit, van zelfbewustzijn, een oceanisch gevoel waarin ik één ben met het water.

 

 

 

 

 

 

 

 

Peter Nijkamp: nog meer onjuiste beweringen

Na eerdere onjuiste beweringen doet emeritus hoogleraar economie Peter Nijkamp er op de website Retraction Watch nog een schepje bovenop. Hij stuurde de volgende e-mail aan de Amerikaanse scientific misconduct watchers:

1.      Last year various successive anonymous allegations were raised questioning my scientific integrity. (Onjuist. Twee anonieme klachten waren gericht tegen Nijkamps promovenda Karima Kourtit vanwege vermeend (zelf)plagiaat; een derde anonieme klacht tegen Kourtit/Nijkamp en Baycan/Nijkamp betrof vermeende datamanipulatie. Deze drie klachten leidden tot integriteitsonderzoeken. De onderzoekscommissie-Zwemmer, die keek naar (zelf)plagiaat in het gehele oeuvre van Nijkamp, kwam niet tot stand na een klacht en het was ook geen integriteitscommissie.)

2.      The University appointed a few committees to investigate the various anonymous complaints. (Zie boven)

3.      The findings – in various stages – as of the beginning of this year – are:

–       one of the main sources of false information dispersion, Richard Gill (University of Leiden), has been instructed by his University to offer a public apology for scientific misconduct (to be published on his University website). (Onjuist. Gill publiceerde uit vrije wil een verklaring die niet te maken had met ‘scientific misconduct’ van Gill; dit gebeurde niet op last van de universiteit of de lokale integriteitscommissie. Inmiddels is hem gebleken dat zijn verklaring deels was gebaseerd op onjuiste informatie: zie de comments op Retraction Watch, 23 maart 2015, 1.36 PM.)

–       a recent verdict of LOWI (a kind of national court on scientific integrity) has convincingly proclaimed that any accusation of violation of scientific integrity from my side misses any ground. (Onjuist. Deze procedure ging over drie artikelen van Kourtit en Nijkamp was coauteur van slechts een daarvan. Het gebruik van het woord “any” is dus misleidend. Het LOWI is geen rechtbank maar een adviesorgaan.) Moreover, the VU University has been found guilty by treating my case in an improper way, by drawing false conclusions and by violating confidentiality rules. (Het gebruik van het woord “guilty” suggereert ten onrechte dat het LOWI een rechtbank is.)

–      finally, in a recent starement the VU University has also concluded that my publication practice does not jeopardize or violate scientific integrity rules. (Onjuist. De commissie-Zwemmer was geen integriteitscommissie en velt ook geen integriteitsoordeel. De VU bezigt de term ‘integriteit’ daarom ook niet in haar verklaring.)

So, in conclusion, my case is clean and can be closed. (Onjuist. Er loopt nog een onderzoek tegen Kourtit/Nijkamp en Baycan/Nijkamp wegens vermeende datamanipulatie.)

 

 

De gelukwens van Peter Nijkamp

Peter Nijkamp stelt in een interview met universiteitsweekblad Ad Valvas dat de commissie-Zwemmer bij de beoordeling van zijn werk fouten heeft gemaakt. De commissie zou tegen de afspraken in ook veel artikelen mee hebben gewogen die NIET zijn verschenen in tijdschriften met peer review. Dat had Nijkamp eerder ook al tegen NRC Handelsblad beweerd, maar deze krant stelde aan de hand van de niet-geopenbaarde bijlagen van het rapport-Zwemmer (wel in bezit van de NRC) vast dat Nijkamps bewering onjuist is. Ook Zwemmer zelf weersprak Nijkamps bewering in die krant. In het interview in Ad Valvas stelt Nijkamp echter dat “absoluut onjuist” is wat NRC Handelsblad hierover schrijft.

De neutrale lezer wil uiteraard graag weten hoe het nu werkelijk zit. Ad Valvas, dat de bijlagen volgens de VU eveneens bezit, meldt helaas niet of het Nijkamps beweringen ook heeft getoetst. Wel kan een buitenstaander dankzij het universiteitsweekblad nu zelf twee beweringen van Nijkamp controleren. De econoom geeft in het interview namelijk een voorbeeld van een in de bijlagen genoemd tijdschrift dat volgens hem niet peer reviewed zou zijn: het Slowaakse blad Region Direct. De website van Region Direct is hier helder over: Region Direct is peer reviewed scientific journal addressed to scientific papers, discussion papers, information and reviews issues in the context of regional development, regional policy, European integration and related topics.” Deze wat knullige zin roept wel vragen op over het niveau van het blad.

Nijkamp tweede bewering in Ad Valvas is dat het geen serieus artikel betreft, maar slechts een “gelukwens voor een speciaal celebratory issue”. Aan Nijkamps artikel ‘E pluribus unum’ valt echter niets feestelijks te ontdekken. Forse delen ervan zijn overigens zonder verwijzing naar Region Direct hergebruikt in twee hoofdstukken van boeken, die hier en hier te vinden zijn. De commissie-Zwemmer heeft hoofdstukken in boeken niet betrokken in haar onderzoek.

Een e-mail met de vraag of hij zich wellicht heeft vergist met de “gelukwens” voor Region Direct, laat de Spinozaprijswinnaar van 1996 onbeantwoord.

De VU zou de bijlagen van het rapport-Zwemmer alsnog openbaar moeten maken. Er is geen enkele reden om ze geheim te houden ter bescherming van de privacy van de coauteurs. De commissie-Zwemmer was immers geen integriteitscommissie en ging er ook zelf van uit dat het hele rapport openbaar zou worden. Alle artikelen die daarin worden genoemd behoren in alle openheid onderwerp van wetenschappelijke discussie te kunnen zijn.

LOWI-advies over publicatie Kourtit/Nijkamp schept verwarring over definitie plagiaat

Het College van Bestuur van de Vrije Universiteit is in een lastige positie gebracht door een advies van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dat advies lijkt haaks te staan op tot nu toe gangbare regels over plagiaat.

Een VU-commissie onder leiding van emeritus hoogleraar psychologie Pieter Drenth oordeelde dat sprake was van plagiaat in een artikel van Karima Kourtit, Peter Nijkamp, Evelien van Leeuwen en Frank Bruinsma. De auteurs hadden een fors aantal zinsneden overgenomen van andere wetenschappers, zonder aanhalingstekens en zonder verwijzingen naar de herkomst van die zinnen. Wel gaven de auteurs de gebruikte bronnen weer in een lijst aan het eind van het artikel. Kourtit en Nijkamp noemen dit een “collectief referentiesysteem”, dat was gehanteerd vanwege de leesbaarheid. In Trouw zei Nijkamp hierover op 12 maart 2015: “Zo’n artikel waarin steeds maar weer staat welke auteurs het hebben gezegd, dat is niet vol te houden.”

Het beroepsorgaan LOWI oordeelde anders over de zaak dan de commissie-Drenth: “De auteurs hebben niet willen pretenderen dat het om eigen tekst ging.” Het was geen plagiaat vond het LOWI en dus ook geen schending van wetenschappelijke integriteit. Dat het LOWI bij een advies rekening houdt met intenties, is nieuw; in de zaak-Sitskoorn had het LOWI in 2008 juist expliciet verklaard dat het er niet toe doet of iemand “de opzet of de bedoeling had de normen van wetenschappelijke integriteit te schenden met het plegen van plagiaat”. Uitgangspunt is of bronnen wel of niet correct zijn vermeld en daarvoor blijft een wetenschapper altijd verantwoordelijk, goede bedoelingen of niet. Het oordeel over Sitskoorn kwam tot stand onder voorzitterschap van Kees Schuyt, die zich nu had verschoond omdat hij begin 2014 in de NRC uitlatingen had gedaan over de zaak-Kourtit.

Probleem voor de VU is dat de nu door het LOWI goedgekeurde vorm van bronvermelding wordt afgewezen in het VU-onderwijs en in het reglement waarop de commissie-Drenth 2 zich mede baseerde. In de webcursus voor bronvermelding die de VU aanbiedt, staat bijvoorbeeld:

“Wat wordt als plagiaat beschouwd? 

Overduidelijke voorbeelden van plagiaat zijn:

  • Een werkstuk van iemand anders inleveren alsof het je eigen werk is. 
  • Korte of lange stukken tekst uit een bron kopiëren zonder de bron te vermelden. 

Maar ook het onderstaande wordt als plagiaat beschouwd: 

  • Andermans woorden of ideeën ‘lenen’ zonder bronverwijzing.  
  • Een paar veranderingen aanbrengen in een tekst (of grafiek of figuur) en doen alsof je het zelf bedacht hebt.  
  • ‘Vergeten’ om aanhalingstekens te plaatsen bij een letterlijk citaat. 
  • Wel een bronverwijzing geven, maar een onvolledige of incorrecte referentie geven zodat de bron niet te traceren is.  
  • Een bron en de referentie vermelden in je verslag, maar niet op alle plaatsen waar informatie uit de bron gebruikt is (dan wordt een deel van de overgenomen informatie gepresenteerd als eigen werk).  
  • Zoveel woorden of ideeën overnemen uit een bron dat dit het grootste deel van je verslag uitmaakt, geldt als plagiaat – zelfs als je wél naar de bron verwijst!”

Moet het CvB van de VU nu deze webcursus en andere interne richtlijnen laten aanpassen naar aanleiding van het LOWI-advies? Hoeven studenten en wetenschappers (aan de VU, maar ook aan andere universiteiten) voortaan geen aanhalingstekens meer te plaatsen bij letterlijke citaten?

Hoogleraar Erik Verhoef, afdelingshoofd van de afdeling Ruimtelijke Economie van Kourtit/Nijkamp, was verbaasd over het LOWI-advies. Hij had nog nooit gehoord van een “collectief referentiesysteem”, kon deze term met googelen ook niet vinden en vroeg zijn afdelingsgenoten daarom 13 maart 2015 per e-mail of zij hem wijzer konden maken op dit punt. Hij liet weten dat hij nu bij vragen over de aanvaardbaarheid van het collectief referentiesysteem geneigd was om te antwoorden, dat “we would consider it undesirable in works of both colleagues and students”. Met andere woorden: toch maar aanhalingstekens blijven zetten. Verhoef liet zijn collega’s weten dat hij altijd tot discussie bereid was, mocht hij het verkeerd zien.

Enkele maanden geleden publiceerde het LOWI ook al een verwarrend advies over een plagiaatklacht tegen een UvA-hoogleraar. De klaagster, een UvA-docente, vond dit advies zo onbevredigend dat zij het heeft voorgelegd aan de Nationale Ombudsman (oordeel nog niet bekend). Zij vreest dat dit eerdere LOWI-advies tot een onwerkbare situatie leidt aan haar universiteit, met name in het onderwijs aan studenten.

Twee op plagiaat betrapte UvA-studenten hebben dat LOWI-advies aangegrepen om bij de Commissie van Beroep voor de Examens bezwaar aan te tekenen tegen de sanctie die aan hen is opgelegd. Zij menen dat er sprake is van ongelijke behandeling. Ook dit advies kwam tot stand zonder voorzitter Schuyt, die zich in deze zaak eveneens had verschoond.

Een LOWI-advies is niet bindend. Een College van Bestuur kan het na kennisname terzijde schuiven en naar eigen inzicht een definitief besluit nemen over een integriteitszaak.